De hoofdstraat van de 19de eeuw

Lange tijd werd de Ringstrasse, de straat rondom het centrum van Wenen, verguisd om zijn protserigheid. Maar in een monumentaal boek heet de straat nu ‘een ongeëvenaard ensemble van historicisme.’

Rudolf von Alt: gebouwen aan de Ringstrasse, met links het parlementsgebouw, in het midden hetRaadhuis en rechts deStaatsoper, 1873. Von Alt schilderde het panorama voordat alle gebouwen aan de Ringstrasse waren voltooid.

Vijftig jaar duurde de aanleg van de Ringstrasse in Wenen. Dat lijkt lang voor de straat die in de tweede helft van de 19de eeuw rondom het oude centrum van Wenen werd aangelegd. Maar uit de kaarten in Vienna’s Ringstrasse. The Book blijkt dat de Ringstrasse veel meer is dan een brede straat met monumentale gebouwen. De Ringstrasse is een hele nieuwe wijk rondom de middeleeuwse binnenstad.

In 1865 bepaalde de Oostenrijkse keizer Frans Josef I dat het brede gebied tussen de Weense binnenstad en voorsteden als Josefstadt moest worden bebouwd. Hier lagen niet alleen de oude, overbodig geworden stadsmuren en vestingen, maar ook een schootsveld van bijna vierhonderd meter dat de Weners gebruikten als park. Het hele gebied omvatte ongeveer de helft van de Amsterdamse grachtengordel, die in het begin van de 18de eeuw na honderd jaar bouwen nog niet was volgebouwd,

Geen van de auteurs van de negen essays in Vienna’s Ringstrasse merkt het op, maar de ring om het Weense centrum aan de Donau is een soort Amsterdamse grachtengordel met straten in plaats van grachten. Net als de grachtengordel is de Ringstrasse ongeveer halfrond en begint en eindigt bij water. En net zo min als de grachten is de Ringstrasse echt rond, maar loopt in knikken rondom de oude stad. Parallel aan de brede Ringstrasse, waar de Votivkirche, het parlementsgebouw, de Hofoper (nu Staatsoper) en nog een groot aantal monumentale gebouwen liggen, zijn nog een paar smallere, zeshoekige straten aangelegd. Het belangrijkste verschil met de Amsterdamse grachtengordel is dat de Ringstrasse veel meer open ruimtes heeft: in Wenen worden de bouwblokken afgewisseld met parken en tuinen.

In Vienna’s Ringstrasse, dat met het formaat van een stoeptegel net zo monumentaal is als het onderwerp van het boek, laten 19de-eeuwse zwart-witfoto’s eerst zien hoe de vlakte rondom de Altstadt werd bebouwd. Ook het merendeel van de foto’s van de exterieurs van de gebouwen aan de Ringstrasse zijn oud. Nieuw gemaakte kleurenfoto’s van Nora Schoeller tonen vooral de weelderige interieurs van de ongelooflijke reeks prachtgebouwen.

‘Een ongeëvenaard ensemble van architectonisch historicisme’, noemt de samensteller van het boek, architectuurhistoricus Alfred Fogarassy, de Ringstrasse in zijn inleiding. ‘Als Parijs de hoofdstad is van de 19de eeuw, dan is de Ringstrasse de hoofdstraat.’ De Weense hoofdstraat is dan ook een parade van 19de-eeuwse neostijlen: de Votivkirche en het Raadhuis zijn neogotisch, het parlementsgebouw is neoclassicistisch, het Burgtheater, van Gottfried Semper, is voornamelijk neorenaissance en veel van de appartementengebouwen zijn neobarok. Ook eclectische gebouwen, zoals het om zijn akoestiek beroemde gebouw van de Musikverein en de Hofoper ontbreken niet.

Opmerkelijk genoeg werden veel pronkjuwelen langs de Ringstrasse slecht ontvangen door de kritiek, schrijft Andreas Nierhaus in zijn essay Of the Use and Abuse of History for Building. Zo werd een van de eerste gebouwen, de Hofoper (nu Staatsoper), al lang voor de oplevering in 1869 zo heftig bekritiseerd dat een van de ontwerpers, Eduard van der Nüll, er zwaar depressief van werd en zich op 4 april 1868 ten slotte verhing. Tien weken later overleed de tweede architect, August Sicard von Sicardsburg, aan tuberculose, zodat geen van twee hun nu zeer gewaardeerde hoofdwerk in voltooide staat hebben gezien.

Toen veertig jaar later de Ringstrasse bijna was voltooid, was de kritiek veranderd in afwijzing. De Weense wegbereiders van het modernisme, Otto Wagner en Adolf Loos, beschouwden de Ringstrasse als een regelrechte mislukking. Loos’ beruchte pamflet Ornament und Verbrechen uit 1907, waarin hij ornamenten in de bouwkunst als verkwistend en moreel verwerpelijk bestempelde, was gericht tegen de rijke architectuur van de Ringstrasse. Hoe het wél moest, liet Otto Wagner zien met zijn Postsparkasse, een van de laatste gebouwen aan de pronkstraat. Hij bouwde de Postbank in een ‘functionele stijl’, schrijft Nierhaus: de gevels zijn bekleed met gladde marmerplaten die slechts zijn versierd met aluminium knoppen op ijzeren bouten.

Als de protserige oprisping van een zieltogend keizerrijk kwam de Ringstrasse in de modernistische 20ste eeuw op de schroothoop van de architectuurgeschiedenis terecht. Maar niet voor altijd: toen een halve eeuw geleden het postmodernisme opkwam, begon de rehabilitatie van de hoofdstraat van de 19de eeuw, schrijft Fogarassy in zijn lofzang.

Zelf rehabiliteert Fogarassy nu zelfs de ‘neo-absolutistische’ wijze waarop de Ringstrasse is gebouwd. De straat was een keizerlijk staatsproject; de gemeente Wenen had er weinig over te zeggen. Voor de bouw ervan werd een keizerlijke bouwcommissie opgericht en de theaters, operagebouwen en musea langs de ring werden gefinancierd uit de verkoop van bouwkavels door het Stadsuitbreidingsfonds. Dit werkte perfect, schrijft Fogarassy: het nog altijd bestaande fonds heeft nooit verlies gemaakt.

Maar nog belangrijker dan het economische succes is het artistieke succes van de Ringstrasse, vindt hij. Met zijn afwisseling van monumentale overheidsgebouwen, paleizen van hertogen, prinsen en nouveaux riches, grootstedelijke appartementengebouwen, tuinen en parken is de Ringstrasse een voorbeeldig stuk stad geworden dat vaak is geïmiteerd maar nooit geëvenaard.