Risico = kans x impact

In Lima is deze week de laatste grote klimaattop begonnen voordat de wereld eind volgend jaar een klimaatakkoord wil sluiten, een mooie aanleiding om de klimaatdialoog te vervolgen met een nieuw thema. Wat opvalt op bijeenkomsten als in Lima is, dat daar vrijwel niet wordt gesproken over de klimaatwetenschap. Natuurlijk is er in het begin nog wel even gewezen op de conclusies van het vijfde assessment van het IPCC. Maar dat is bijna een formaliteit, de meeste onderhandelaars zijn de discussie over eventuele onzekerheden al lang voorbij.

‘Natuurlijk’, schreef Marcel Crok in het eerste debat, ‘zal een beleidsmaker zich baseren op IPCC’. Jan Paul van Soest was stelliger: ‘Wie denkt dat de wetenschap fout zit melde zich daar, en onderwerpt zich aan daar geldende spelregels, in plaats van het maatschappelijk debat te blijven verwarren met uitspraken die wetenschappelijk al lang en breed als onhoudbaar zijn aangemerkt.’

In deze tweede klimaatdialoog laten we de discussie over de wetenschappelijke basis achter ons. Niet dat we daar nooit meer op terugkomen, maar voorlopig willen we het (dus ook in de reacties) hebben over de risico’s. Over de vraag waarover ze zich in Lima deze twee weken eigenlijk druk maken, of druk zouden moeten maken (maar deze keer nog even niet over de mogelijke transitie naar duurzame energie, daarover later).

Uitgaande van de formule risico = kans x impact kunnen de ‘totaalontkenners’ deze discussie aan zich voorbij laten gaan. Voor hen staat tenslotte de kans dat het klimaat verandert gelijk aan nul. En daarmee dus ook het risico. ‘Scepticus’ Hans Labohm sluit, mede op verzoek van moderator Gerbrand Komen, voorlopig ‘de mogelijkheid van significante opwarming’ niet uit. Daarmee is dus de vraag voor deze tweede ronde: wat zijn de risico’s van klimaatverandering, hoe ga je ermee om en hoe verhouden ze zich tot de kosten/baten van klimaatbeleid (dus zowel van mitigatie als van adaptatie, als ook van het eventueel achterwege blijven daarvan).

Future Planet Studies

Dit weekeinde was ik met mijn dochter bij de Open Dag van de Universiteit van Amsterdam. Een van de opleidingen die daar worden aangeboden heet ‘Future Planet Studies’. De studenten onderzoeken de toekomst van de planeet vanuit aardwetenschappelijk, politiek en economisch perspectief. Daar zitten de toekomstige risicoanalisten, want een inschatting van de gevaren en/of kansen van klimaatverandering kan eigenlijk alleen op basis van zo’n interdisciplinaire aanpak worden gemaakt. Kijk maar wat het IPCC schrijft over risico in de Technical Summary van Werkgroep 3 (Box 1):

Something is dangerous if it leads to a significant risk of considerable harm. Judging whether human interference in the climate system is dangerous therefore divides into two tasks. One is to estimate the risk in material terms: what the material consequences of human interference might be and how likely they are. The other is to set a value on the risk: to judge how harmful it will be. The first is a task for natural science, but the second is not.
The sciences of human and social behaviour – among them psychology, political science, sociology, and non-normative branches of economics – investigate the values people have, how they change through time, how they can be influenced by political processes, and how the process of making decisions affects their acceptability. Other disciplines, including ethics (moral philosophy), decision theory, risk analysis, and the normative branch of economics, investigate, analyze, and clarify values themselves.
There is a further element to decision making. People and countries have rights and owe duties towards each other. These are matters of justice, equity, or fairness. They fall within the subject matter of moral and political philosophy, jurisprudence, and economics.

De Duitse denktank Germanwatch maakt jaarlijks een Global Climate Risk Index, de nieuwste staat op het punt van verschijnen (even voor de duidelijkheid: niet ieder weergerelateerd incident is terug te voeren op klimaatverandering). Twee feiten vallen op: het aantal incidenten neemt toe en vooral ontwikkelingslanden worden getroffen:

Altogether more than 530,000 people died as a direct result of approx.15,000 extreme weather events, and losses between 1993 and 2012 amounted to more than 2.5 trillion USD.

Voldoende aanleiding voor een debat, zou je zeggen.

Hans Labohm trapt af, met enkele prangende vragen:

Beste Jan Paul, wat het risico van klimaatverandering betreft verschillen jij en ik fundamenteel van mening. Ik zie (op dit moment en voor de komende decennia) weinig tot geen risico. Jij ziet grote dan wel grotere risico’s en zelfs kantelpunten (die volgens mij op een rijke fantasie en niet op ‘peer-reviewed’ literatuur berusten). Ik geloof ook niet dat je het risico/onzekerheid/waarschijnlijkheid kunt kwantificeren, zoals het IPCC doet.
1. Is er een objectief wetenschappelijke methode om risico’s/onzekerheden/waarschijnlijkheden van klimaattoekomstscenario’s (d.w.z. de combinatie van klimaatmodellen en economische scenario’s) te bepalen? Zo ja, gaarne bronnen. Zo nee, moet je dan niet erkennen dat we met grote onzekerheid worden geconfronteerd?
2. Moet het klimaatbeleid worden beoordeeld op basis van een kosten/baten-analyse, zoals die ook voor andere vormen van beleid gebruikelijk is? Of is het probleem zó uitzonderlijk, dat een kosten/baten-analyse achterwege kan blijven?

3. Als zo’n kosten/baten-analyse gewenst is, moet het klimaatbeleid dan wel worden voortgezet als de vermoedelijke kosten gelijk zijn aan (of hoger dan) de vermoedelijke baten?

De reactie van Jan Paul van Soest:

Achter de klassieke formule Risico = Kans x Impact gaat een hele wereld schuil. Er is immers niet één enkele impact van klimaatverandering, maar er zijn er vele, uiteenlopend van zeespiegelstijging via verandering van frequentie en gevolgen van weersextremen tot effecten op de landbouwproductiviteit en conflicten en migratie. Er is, per impactfactor, ook niet slechts één eenduidig vast te stellen kans; uit de wetenschappelijke analyses komen kansverdelingen. Hier is een voorbeeld voor zeespiegelstijging. Dat is dan ook het antwoord op Hans Labohm’s eerste vraag: de wetenschap levert zo mogelijke inzichten in effecten van klimaatverandering op het klimaatsysteem, op ecosystemen en op de economie, en kan op basis van die kennis scenario’s produceren.

Een weloverwogen risicobeleid neemt deze gehele kansverdeling en plausibele scenario’s als uitgangspunt: rondom een meest waarschijnlijke waarde kan het mee- dan wel tegenvallen. Vervelende bijkomstigheid is dat de kansverdelingen nogal eens scheef zijn. Richard Tol schrijft: “Klimaatbeleid is een klassiek beslissingsprobleem met asymmetrische onzekerheid. Als het meevalt, valt het een beetje mee. Als het tegenvalt, valt het zwaar tegen”.

Klimaatbeleid als risicobeleid betekent: rekening houden met alle mogelijke uitkomsten binnen de wetenschappelijk als realistisch ingeschatte bandbreedte. Onzekerheid qua kansen en impacts is dan geen reden om niks te doen, maar juist reden om te handelen. Tol: “Grotere onzekerheid legt meer gewicht op de risico’s. Beleid moet versterkt worden.”

Idealiter staat tegenover een kansverdeling voor impacts van klimaatverandering ook een kansverdeling voor de gevolgen van beleid dat die gevolgen moet voorkomen. Ook die kansverdeling kennen onzekerheden en onvolkomenheden. Maar is dat erg? Beleid maken is altijd besluiten nemen in het licht van onzekerheden, en niet genomen besluiten zijn óók besluiten. De hamvraag is niet de vraag naar steeds betere, steeds objectievere informatie over impacts en over beleid, maar is de vraag naar weging: de normatieve, politieke afweging van de lusten en lasten van doorrollende klimaatverandering versus de lusten en lasten van het tegengaan daarvan. De wetenschap kan burgers en bestuurders informeren, en kan hulpmiddelen voor afwegingen maken zoals maatschappelijke kosten-batenalyse (MKBA) of multicriteria-analyse, maar deze methoden kunnen de afweging zelf niet maken. Die hangt immers af van normatieve waarderingen van onder meer het nu vs. de toekomst, hier vs. elders, economisch vs. natuurlijk kapitaal. Laat, in antwoord op vragen 2 én 3 van Hans Labohm, al die hulpmiddelen zoals MKBA’s vooral ontwikkeld worden, maar ken de mogelijkheden en beperkingen ervan, en breng de dialoog uiteindelijk weer terug naar de essentie van de afweging: welke persoonlijke en collectieve waarden zijn in het geding, nu en in de toekomst?

Dat zouden dan ook mijn vragen aan Hans Labohm zijn: welke van je waarden staan op het spel als klimaatverandering volgens de risicocurves door zou zetten? En welke als een krachtig mitigatiebeleid zou worden gevoerd?

Dit is de reactie van Hans Labohm:

Jan Paul legt mij de volgende vragen voor: Welke van je waarden staan op het spel als klimaatverandering volgens de risicocurves door zou zetten? En welke als een krachtig mitigatiebeleid zou worden gevoerd?

Het probleem met de eerste vraag is dat er geen objectief wetenschappelijke methode om ‘de risicocurves’ vast te stellen. Alhoewel ik een fan van Richard Tol ben, kan ik hem toch niet volgen waar hij pleit voor een krachtiger klimaatbeleid als gevolg van grotere onzekerheid. Wat dat betreft schaar ik mij aan de zijde van Marcel Crok. Deze schrijft:

Voor mij staat nog niet vast of de uitstoot van CO2 een ‘probleem’ is. Als het meevalt kan het ook gewoon meevallen: meer CO2 is goed voor planten en bomen, de aarde wordt groener, en gematigde opwarming is gunstig voor mens, dier en economie. Tol sluit zijn ogen hier ook niet voor weet ik uit mijn gesprekken met hem. Zijn FUND–model laat ook zien dat de klimaatverandering tot nu toe positief is geweest voor de mondiale economie (met mogelijk regionale uitzonderingen), vooral vanwege het fertilisatie–effect van CO2.

Dat het tegen kan vallen wordt steeds onwaarschijnlijker. Schattingen voor klimaatgevoeligheid gebaseerd op observaties komen uit op 1,5 tot 2 graden. Deze schattingen gaan ervan uit dat vrijwel 100% van de opwarming tot nu toe (0,8 graden of iets minder) door de mens is veroorzaakt. Blijkt de zon toch een groter deel voor haar rekening te hebben genomen, dan zal de klimaatgevoeligheid verder dalen. Een andere ‘joker’ in het klimaatverhaal is ook nog altijd de rol van aerosolen. AR5 heeft die rol nu kleiner gemaakt wat ertoe leidt dat onze schattingen voor klimaatgevoeligheid dalen. Het is echter niet ondenkbaar dat de invloed van aerosolen de komende jaren nog verder gaat dalen met als gevolg een verdere daling van de klimaatgevoeligheid. Er zijn onderzoekers die denken dat het indirecte aerosol effect (het effect dat aerosolen hebben op de wolken) vrijwel nul is. …

De tweede vraag was welke waarden op het spel staan als er een krachtig mitigatiebeleid wordt gevoerd. Wat dienen we onder een krachtig mitigatiebeleid te verstaan? Dat is een decarboniseringsbeleid, waarbij getracht wordt de menselijke uitstoot van CO2 in de komende decennia steeds verder terug te dringen door beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Binnen de EU hebben verschillende lidstaten zich voorstander verklaard van een CO2–reductie voor 2030 van 40 % ten opzichte van het niveau van 1990, mits ook niet–EU–landen zich een vergelijkbare inspanning zullen getroosten. Een dergelijk beleid zal de invloed van de overheid op beslissingen inzake investeringen en consumptie aanmerkelijk versterken, waardoor onze economische orde zich in de richting van centraal geleide planning zal bewegen. Dit beleid zal ook grote welvaartsoffers vergen en leiden tot een significante inperking van de vrijheid van ondernemen en consumeren. Kortom, een beleids–geïnduceerde ‘Verelendung’. Het effect van dit alleen op het klimaat is waarschijnlijk niet aantoonbaar – zeker niet indien Europa als enige zo’n beleid zou gaan voeren.

Een interventie van Gerbrand Komen:

Jan Paul relativeert in zijn reactie op de vragen van Hans het belang van ‘steeds betere, steeds objectievere informatie over impacts en over beleid’, en pleit voor een discussie over waarden. Hij eindigt dan ook met twee concrete vragen waarin hij Hans naar diens waarden vraagt.

Hans is begonnen met het geven van een antwoord op die vragen, maar wat me opvalt is dat hij de eerste vraag ontwijkt. Kort-door-de-bocht samengevat luidde die  vraag: ‘hoe erg zou je het vinden als het klimaat flink verandert?’ en de reactie is ‘Het klimaat verandert niet of bijna niet’. Een typische non-dialoog. Hans, ik daag je uit om daar nog eens over na te denken, voor mijn part als gedachtenexperiment: hoe erg zou je het vinden als het klimaat flink verandert? Probeer het je eens voor te stellen. Ik zou ook willen weten wat je vindt van van het voorstel van Jan Paul om over waarden te praten en niet over de baten/lasten aspecten.

In zijn antwoord op de tweede vraag wijst Hans erop dat de hoge kosten van klimaatbeleid de welvaart zouden beperken, terwijl ze maar een gering mitigerend effect hebben en de economische vrijheid sterk zouden beperken. Jan Paul, deel je die zorgen van Hans? Begrijp je dat hij zich zorgen maakt over de kosten en het negatieve effect op de welvaart, en over de inperking van de vrijheid van ondernemen en consumeren? Kun je Hans geruststellen?

Jan Pauls nadruk op kansverdelingen vind ik interessant. Als je die kansverdelingen serieus neemt dan moet je dus ook rekening houden met de staarten van de verdeling: aan de ene kant kan het meevallen (kleine klimaatgevoeligheid), aan de andere kant kan het ook juist tegenvallen (grote klimaatgevoeligheid). Voor beide gevallen zou je een afweging moeten maken van de verwachte schade en de kosten van maatregelen. Jan Paul spreekt in dit verband van ‘de normatieve, politieke afweging van de lusten en lasten van doorrollende klimaatverandering versus de lusten en lasten van het tegengaan daarvan’, en stelt dan voor om over de waarden te discussiëren. Dat is helder, maar stemt Hans wel in met dat voorstel? Met andere woorden zou hij niet ook of liever over de lusten en lasten willen discussiëren?

’k Ben benieuwd.

Reactie van Hans Labohm:

Gerbrand Komen spoort mij aan om mij – al was het maar bij wijze van gedachtenexperiment – voor te stellen dat het klimaat flink verandert. Vooruit dan maar! In een vorig leven heb ik zowel in Zweden (wat kouder dan hier) als in Frankrijk (wat warmer dan hier) gewoond. Mijn voorkeur gaat uit naar Frankrijk. Maar beide perioden hebben mijn gezin en ik zonder problemen overleefd. Niettemin lijken mij de problemen bij afkoeling aanzienlijk groter dan bij enige opwarming. Het aantal doden als gevolg van koude (vooral armlastige bejaarden, daklozen en beschonken cafébezoekers op weg naar huis) is aanzienlijk hoger dan dat van warmte.

Maar zal de zeespiegel bij opwarming dan niet sneller stijgen, met alle ellende van dien? Voor zover mij bekend is de zeespiegel tijdens de Romeinse warmteperiode en de Middeleeuwse warmteperiode niet sneller gestegen dan de laatste eeuwen. Dus ik verwacht wat dat betreft geen grote veranderingen.

Maar hoe zit het dan met de weersextremen? Wat dat aangaat verwijs ik naar het VN-klimaatpanel dat daarover een afzonderlijk rapport heeft uitgebracht, waarin werd gesteld dat men geen trends in weersextremen heeft kunnen vaststellen en al helemaal geen (antropogeen) CO2–signaal heeft kunnen vinden.

Voorts vroeg Gerbrand Komen: Wat vind je van het voorstel van Jan Paul om over waarden te praten en niet over de baten/lasten aspecten?
Waarden bestaan niet in een vacuüm. De natuur zélf bepaalt geen waarde. Het is de mens die waarde toekent aan de natuur. Aan sommige elementen van de natuur kent de mens veel waarde toe, bijvoorbeeld aaibare zoogdieren. Aan andere elementen minder, bijvoorbeeld aan kakkerlakken en ratten. Bij al zijn acties streeft de mens naar vergroting van zijn welvaart (niet per se zijn eigen materiële welvaart – het kan ook immateriële welvaart of de zorg voor zijn naasten zijn). Dat geldt zowel op individueel als collectief niveau (overheidsbeleid!). Voor een econoom is een kosten/baten analyse bij uitstek een afweging van waarden.

Ten slotte hier de reactie van Jan Paul van Soest:

Voor de goede orde: ik relativeer niet het belang van voortschrijdende kennis, ik geef alleen aan dat er nooit perfecte kennis over klimaatverandering zal zijn, noch over de kosten deze tegen te gaan, terwijl toch beslissingen met die imperfecte kennis nodig zijn. Dat kan door een risicobenadering te kiezen. Een discussie over waarden bepleit ik niet om zichzelfs wille, maar omdat waarden bepalen hoe iemand de risico’s van klimaatverandering weegt ten opzichte van de gevolgen van mitigatie.

Uit Hans Labohm’s reacties valt op te maken dat hij zich, zelfs niet voor the sake of argument, wil of kan voorstellen dat volgens de wetenschap plausibele toekomstscenario’s ook inderdaad waar zouden kunnen blijken. In wezen is zijn reactie op de vraag “Wat als toch x realiteit wordt?”: “Nee, x wordt geen realiteit, en als het al realiteit wordt is het y”, alsof een denkbare mondiale klimaatopwarming van pakweg 4 graden Celsius te vergelijken is met een verhuizing van Zweden naar Frankrijk. Dat is een borreltafelredenering, geen serieuze argumentatie.

Ik kan dan ook, zoals Gerbrand voorstelt, Hans onmogelijk geruststellen over de negatieve effecten van klimaatbeleid op de welvaart als hij de mogelijkheid dat klimaatverandering eveneens negatieve effecten heeft op de welvaart wegmoffelt. Als ik mij zou vastbijten in het idee dat Komeet 67P/Tsjoerjoemov-Gerasimenko niet bestaat, zal niemand mij ervan kunnen overtuigen dat het geld voor een ruimtereis naar en landing op die komeet welbesteed is. Daarom zou ik Hans willen vragen toch nog eens serieus te doordenken welke van zijn waarden in gevaar komen als het voor hem ondenkbare, zeg een opwarming met 4 graden eind deze eeuw, toch realiteit zou worden. Pas dan valt zinvol te spreken over een afweging van kosten en baten.

Dialoog

Op zoek naar de grenzen van twijfel en zekerheid over het klimaat.