Partizanen zijn virtuoos absurd in sketches en razendsnelle tweespraak

De Partizanen. Links Merijn Scholten, rechts Thomas Gast. foto robin de puy

Met kurkdroge en kolderieke crosstalks, die voortreffelijk getimed waren, wonnen De Partizanen vorig jaar het Leids Cabaretfestival. Of ze het daarmee zouden redden was nog maar de vraag. Maar sindsdien lijken Merijn Scholten en Thomas Gast aan scherpte te hebben gewonnen. In hun goed doortimmerde, titelloze debuutprogramma laten ze zien dat ze anderhalf uur lang kunnen excelleren in elkaar snel opvolgende, nonsensicale tweespraakjes. In één klap is het cabaret een fantastisch sketchduo rijker.

Scholten en Gast (beiden uit 1983) zijn twee getruukte acteurs, die hun ernstige mannetjes mal laten zijn en hun malle mannetjes ernstig. In hun spel lijken ze aangeraakt door de vonk van Jiskefet en Toren C, zoals wanneer Gast verleidelijk dansend in nep-Zweeds een rechercheur uit een zogenaamd hippe Scandinavische serie vertolkt, begeleid door een drakerige synthesizertune.

Muziek en geluiden laten ze voortdurend handig een bijdrage leveren. Als ze blatende hippe jongeren spelen, verwordt dat vlot tot één almaar herhaalde kreet: „Superchill!” Door er vervolgens een beat onder te zetten, is de grap compleet. De mogelijkheden van een kartonnen-dozenwand worden slim benut en ze tonen ook nog eens een prachtige Japanse manga over zichzelf.

Het hart van hun satirische sketches ligt in de virtuoze absurditeit van hun teksten. Zoals in de sketch over de de Bijenkorfcard, waarin een zoetgevooisde stem steeds bontere aanprijzingen doet: „Ervaar het weldadige gevoel van helemaal niets doen. Van koelie tot galeislaaf, u vindt het in de slavenmarkt in de kelder.” Die ene woordloze sketch – het eten van een tompouce – is ook de minste.

Geraffineerd en geestig is hoe ze zichzelf tot onderwerp maken, bijvoorbeeld als ze vier doelen opstellen die ze met hun optreden willen bereiken, zoals het oplossen van het Midden-Oostenconflict. Het is luchtige spot over geëngageerd cabaret en activisme, waar ze zich later natuurlijk voortdurend aan bezondigen.