Column

Opportunist

Het leek zo mooi: een schrijver die uit de eerste hand over zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog schreef. Ik bedoel Karel van de Woestijne (1878 – 1929), de Vlaamse schrijver die destijds in de NRC zijn Dagboek van den oorlog publiceerde. Ik citeerde er onlangs in deze rubriek enkele fragmenten uit.

Dat dagboek, te vinden in zijn Verzameld werk (deel VIII), begint op 20 augustus 1914 en houdt plotseling op 23 februari 1915 op. Van de Woestijne werd ziek: „Ik zit aan den haard te bibberen, en hoest en proest. En wensch, voorloopig, alle poëtische avondwandelingen naar den drommel.”

Ik blijf Dagboek van den oorlog een interessant document vinden en had me daarom veel voorgesteld van het vervolg: de serie Het leven te Brussel en andere artikelen die hij vanaf maart 1915 over leven in oorlogstijd in de NRC publiceerde.

Ze beslaan meer dan de helft van dit deel van het verzameld werk. Maar het liep op een grote teleurstelling uit: Van de Woestijne schrijft te veel over allerlei pietluttigheden waardoor zijn toch al breedvoerige, archaïsche stijl steeds meer gaat irriteren. Over het leven onder de Duitse bezetting komt de lezer niet veel meer te weten.

Wat was er gebeurd met Van de Woestijne? Ik raadpleegde de biografie die Peter Theunynck vier jaar geleden over hem schreef. Theunynck geeft een niet mis te verstaan antwoord op mijn vraag. Hij schrijft dat Van de Woestijnes ziekte meer te maken had met het begin van de censuur dan met een griep. Hij hield zich een maandje ziek en begon toen aan Het leven te Brussel.

Theunynck: „In maart moet Van de Woestijne afspraken met de censuur gemaakt hebben. Vermoedelijk heeft iemand hem daar verteld waarover hij wel en niet mag schrijven. Sindsdien komen in zijn stukken geen politieke of militaire thema’s meer aan bod. De journalist die begin februari 1915 nog luidkeels de lof zong van schrijvers als Anatole France die het vaderland dienden met de pen (…) lijkt zijn visie gaandeweg bij te stellen.”

Van de Woestijne is uiterst voorzichtig geworden. Riskante onderwerpen – over Duitse soldaten, Franse krijgsgevangenen, het bombardement van Parijs – worden vermeden. Hij voelde zich gedwongen, schrijft Theunynck, omdat hij als journalist driemaal zoveel verdiende als als ambtenaar. „Een goede verstandhouding met de Duitsers biedt hem heel wat voordelen. Stukken die door de censuur zijn goedgekeurd, worden via een Duitse koerier naar Nederland gebracht. En zelfs voor het versturen van proefdrukken of voor het ontvangen van boeken en honorarium kan hij gebruikmaken van dat kanaal.”

Op die manier werd hij een Belgische correspondent op wie de NRC met terugwerkende kracht niet bepaald trots hoeft te zijn – hoeveel begrip je ook voor zijn positie kunt hebben. De Duitse censoren lazen zijn stukken grondig, want Duitsland wilde een goede indruk maken op het neutrale Nederland. En de NRC had invloed in België, omdat het de enige niet-Duitse buitenlandse krant was die in Brussel verkocht mocht worden.

Theunynck schetst het beeld van een schrijver als politieke opportunist die in zijn Duitsvriendelijkheid steeds verder afglijdt. Hij verkoopt op initiatief van een Duitse censor zijn werk aan de Duitse uitgever Insel Verlag – evenals Herman Teirlinck. Zij komen er na de oorlog goed mee weg, omdat ze onder bijna alle belangrijke politici ‘machtige beschermheren’ hebben.