‘Muziek zie ik als kleuren in mijn hoofd’

Door een neurologische afwijking zingt Joni Mitchell niet meer. Ze zoekt nieuwe manieren om haar songs in leven te houden, zoals op haar nieuwe cd-box ‘Love Has Many Faces’. „Boegbeeld van de hippiegeneratie heb ik nooit willen zijn.”

Joni Mitchell in 1970 Foto Warner

Na vijftig jaar muziekmaken mag Joni Mitchell zich de grande dame van de Californische popmuziek noemen. Geboren in Canada, trok ze begin jaren zestig naar de Verenigde Staten. Het folkzangeresje van naïeve hippieliedjes als Both Sides Now en Big Yellow Taxi bracht vanaf het album Court And Spark (1974) steeds meer jazz in haar muziek. Ze werkte met jazzgrootheden als Charles Mingus, Wayne Shorter, Herbie Hancock en Jaco Pastorius. Prince is een groot fan van Mitchells veelzijdige oeuvre, dat swingt zoals popliedjes dat zelden doen.

Door een zeldzame neurologische aandoening is Joni Mitchells actieve leven als performer sinds enkele jaren voorbij. Op de pas verschenen 4-cd-box Love Has Many Faces maakte ze een selectie van 53 schijnbaar kriskras door elkaar gehusselde songs uit haar bloemrijke catalogus.

Een schilderes die toevallig ook liedjes schrijft, heeft Joni Mitchell (71) zichzelf altijd genoemd. Haar hoesafbeeldingen schilderde ze bij voorkeur zelf. Het sproetige bloemenmeisje van het album Clouds (1969) werd de spil in de muzikantenkring van Crosby, Stills & Nash, Jackson Browne, James Taylor en Neil Young. Ze had liefdesrelaties met David Crosby, die haar debuutalbum Song Of A Seagull produceerde, en Graham Nash die het nummer Our House wijdde aan hun idyllische woonsituatie. Het ultieme hippielied Woodstock („We are stardust, we are golden”) schreef ze zonder op het festival te zijn geweest. Geen andere song gaf de euforie van de Woodstock-generatie zo goed weer, zei David Crosby over het door Crosby, Stills, Nash & Young gecoverde lied.

Folkzangeres

In platenwinkels wordt haar muziek hardnekkig onder ‘folk’ gerangschikt, zegt Joni Mitchell licht verontwaardigd aan de telefoon vanuit Los Angeles. „Mijn dagen als folkzangeres waren geteld in 1971, toen ik het album Blue opnam en mijn teksten het domein werden van intens zelfonderzoek en persoonlijke bespiegeling. Ik heb me nooit thuis gevoeld in een nauw afgebakend muziekgenre. Duke Ellington was en is mijn grote held en jazzmuzikanten wezen me de weg naar artistieke vrijheid. De regels en tradities van het gitaarspel waren me vreemd, omdat ik mezelf tijdens een lange periode van ziekte een speelstijl had aangeleerd die veel verder ging dan de drie akkoorden uit de folkmuziek. Ik stemde mijn gitaar in zelfverzonnen configuraties. Niet de zekerheden van de folk, maar de zoekende natuur van jazzimprovisatie werd mijn leidraad.”

Blue, door velen nog altijd beschouwd als haar beste album, zette de toon voor een generatie van singer/songwriters die hun diepste persoonlijke gevoelens in songteksten verwerkten. „Mijn leven is niet zonder zorgen geweest”, zegt Mitchell, „maar ik ben er de persoon niet naar om alleen de zwarte kanten van het bestaan te zien. Op de hoes van Turbulent Indigo heb ik mezelf afgebeeld als Vincent van Gogh, compleet met afgesneden oor in het verband. Dat was mijn manier om af te rekenen met het imago van de gekwelde artiest, die ik op zeker moment wel geweest ben. Ik kroop uit mijn schulp en ben gaan reizen naar Griekenland, Frankrijk en Ibiza. Amsterdam stond ook op mijn verlanglijstje, zoals ik zong in het nummer Carey. Toen ik dat schreef, had ik nog nooit een Van Gogh van dichtbij gezien. Inmiddels ken ik zijn werk als mijn achtertuin.”

Op Hejira (1976) en Don Juan’s Reckless Daughter (1977) werkte ze met Jaco Pastorius, de bassist uit de jazzfusiongroep Weather Report. Hij stuwde haar muziek met zijn fretloze bas in een avontuurlijke richting. Ook op Mingus (1979) is Pastorius prominent aanwezig, met compositorische bijdragen van de grote jazzbassist Charles Mingus die in zijn laatste levensjaar met Mitchell werkte. Jazzmuzikanten staan veel meer open voor experiment, vertelt Mitchell over sessies met Herbie Hancock en Wayne Shorter.

„Voor Be Cool vroeg ik Hancock om op de piano het gerinkel van ijsblokjes in een leeg glas na te doen. Hij deed het zonder morren en het klonk fantastisch. Wayne Shorter speelde lange saxofoonimprovisaties en liet het aan mij en de technicus over om daar fragmenten uit te knippen. Toen ik mij zorgen maakte dat we zijn muziek verknoeiden, stelde hij me gerust door te zeggen dat hij onze knip- en plakmethode als een vorm van beeldhouwkunst beschouwde. Joe Sample vroeg ik om het muzikale equivalent van een Japanse golf als in het beroemde schilderij van Hokusai. Die toverde hij uit de piano alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik ben uiterst visueel ingesteld. Muziek zie ik vaak als beelden en kleuren in mijn hoofd.”

Veel boeiende anekdotes uit haar muziekverleden heeft ze opgetekend in het boek bij de cd-box Love Has Many Faces. Het is geen gewoon carrièreoverzicht, maar de soundtrack voor een imaginaire dansvoorstelling met de ondertitel A Quartet, A Ballet, Waiting To Be Danced. Joni Mitchell maakte een selectie van songs over de liefde en rangschikte ze thematisch in vier delen. Act 1 gaat over de geboorte van de rock-’n-roll in de jaren vijftig, met romances op de achterbank en muziek uit de transistorradio. Act 2 behandelt de schaduwkanten van liefhebben. Act 3 gaat over verliefdheid en in Act 4 komen de uitzonderlijke uitingen van liefde aan bod.

Love Has Many Faces was bedoeld als vervolg op het ballet The Fiddle And The Drum dat het Alberta Ballet in 2006 danste op bestaande en nieuwe muziek van Joni Mitchell. Bij de moeilijke keuzes die ze moest maken („elk lied dat ik wegliet, voelde als de moord op een van mijn baby’s”) slaagde Mitchell er niet in de muziek binnen de gestelde deadline tot één cd en één voorstelling te beperken. „Het project wacht nog op uitvoering, maar de muziek is interessant genoeg om nu al in deze combinatie gehoord te worden. Balletdansers hebben er geen moeite mee om een verhaal uit te beelden dat voor een deel al verteld wordt in de teksten van songs, zo bleek bij The Fiddle And The Drum. Dit verhaal is zo veelomvattend dat het eigenlijk op vier achtereenvolgende avonden uitgevoerd zou moeten worden. Ik zoek nog een dansgezelschap dat die uitdaging aankan.”

Krekel in de studio

Mitchells muziek is een wonder van veelzijdigheid, met geluidstechnische vondsten die soms door toeval werden ingegeven. Een krekel in de studio leverde de ritmische begeleiding voor Night Ride Home, toen het beestje hardnekkig bleef tsjirpen en Joni daar de sfeerverhogende werking van inzag. De aanlopende snaar van een kapotte gitaar bleek zo goed te passen bij het wolvengehuil in The Wolf that Lives in Lindsey, dat het snerpende geluid prominent naar voren werd gehaald in de mix. Een recente orkestversie van Both Sides Now kleurt wonderlijk mooi bij digitaal opgepoetste versies van Carey en River, de oudste nummers op de cd-box. „Het lieftallige zangeresje uit mijn begintijd staat zo ver van me af dat ik er bijna niet meer naar kan luisteren. Gelukkig is dat schrille sopraantje van toen in latere jaren veranderd in een mooie alt, net zoals mijn moeder die had. Het heeft beslist geholpen dat ik al die tijd stevig ben blijven roken.”

Shine, haar laatste album met nieuw materiaal, stamt uit 2007. Haar dagen als actief performer zijn voorbij, zegt Joni Mitchell zonder spijt. Door een zenuwaandoening is ze de controle over haar stembanden deels kwijt en kan ze haar oude liedjes geen recht meer doen.

„Nostalgie heeft nooit hoog op mijn agenda gestaan, evenmin als ik ooit het schattige boegbeeld van de hippiegeneratie heb willen worden. Van de idealen van toen is weinig terechtgekomen. Er is genoeg rotzooi in de wereld om naar het heden te kijken, zonder stil te staan bij het verleden. De muziek die ik nalaat, vervult me met trots. Ik heb het er druk genoeg mee om mijn songs op nieuwe manieren in leven te houden.”

Popmuziek is aan het einde van haar ontwikkeling gekomen, vindt ze. „Ik moet er hartelijk om lachen als er weer eens iemand beweert dat ‘rock-’n-roll will never die’, zoals Neil Young zong. Popmuziek van nu rockt misschien nog wel, maar het rolt niet meer. Nieuwe ontwikkelingen zullen uit de heupen moeten komen, zoals Duke Ellington de heupen in beweging bracht met de muziek uit het swingtijdperk. Mijn muziek is altijd naarstig op zoek naar mensen die erop willen dansen.”