Minder gasbaten en toch meer groei

De lage olieprijs betekent minder gasbaten voor de staat.

Maar hij helpt waarschijnlijk ook de economie harder groeien.

Illustratie Vincent Meertens

Den Haag. Moet de minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, zich zorgen maken over de kelderende olieprijs? Als ruwe olie goedkoper wordt, zal immers ook de gasprijs kunnen dalen. En dat levert voor de hoeder van de schatkist minder gasbaten uit Groningen op.

Volgende week donderdag volgt duidelijkheid, als het Centraal Planbureau met zijn decemberraming komt, met nieuwe indicatoren over de economie. Tot nu toe rekende het CPB met een stabiele olieprijs van 108 dollar per vat in 2014 en 107 dollar in 2015. Die is de laatste tijd echter steil gedaald tot zo’n 70 dollar per vat.

Hoewel het CPB nog niets verklapt, is de verwachting in Den Haag dat in de ramingen de gasbaten neerwaarts worden bijgesteld.

Dat hoeft geen ramp te zijn voor de overheidsfinanciën. Ten eerste is de gasprijs sinds begin deze eeuw niet meer direct gekoppeld aan de olieprijs. Er is wel een verband tussen beide markten, maar de gasprijs hobbelt er altijd wat achteraan.

Bovendien zijn de schommelingen van de gasprijs minder heftig dan die van olie. Zo verdrievoudigde de olieprijs tussen 2000 en 2012 tot 113 dollar per vat. Volgens de Nationale Energieverkenning van begin oktober steeg de gasprijs in dezelfde periode met iets meer dan 50 procent.

Potentiële tegenvaller

Daarnaast zijn de opbrengsten uit gaswinning voor de schatkist beperkt. In de Miljoenennota 2015 raamt Dijsselbloem de baten op 9,1 miljard euro. Dat is nog geen 4 procent van alle overheidsinkomsten (246,8 miljard). Als de gasbaten de dalende olieprijs één-op-één zouden volgen, zou dat een tegenvaller opleveren van ruim 3 miljard op.

Daar staat veel tegenover. Economen gaan ervan uit dat een daling van de olieprijs een gunstig macro-economisch effect heeft voor landen die veel olie importeren. Volgens energie-econoom Hans van Cleef (ABN Amro) is er een eenvoudige formule voor het rechtstreeks effect van de olieprijs op de economie: bij elke olieprijsdaling van 10 dollar per vat, krijgt de economische groei een impuls van 0,3 procentpunt.

Van Cleef: „Bij een lagere olieprijs verschuift vermogen van olieproducenten naar olieconsumenten. Door het minder uitgeven van geld aan olie of oliegerelateerde producten, kunnen consumenten dit geld besteden aan andere producten en diensten.”

Die extra consumentenbestedingen leveren meer indirecte belastingen op. En die vormen een aanzienlijk groter deel van de overheidsbegroting. Voor komend jaar raamt Financiën de inkomsten uit btw en accijnzen op ruim 56 miljard euro, bijna een kwart van alle inkomsten.

Als de formule van ABN Amro klopt en we die op de huidige olieprijs van 70 dollar per vat toepassen – afgezet tegen de geraamde 107 dollar – levert dat voor volgend jaar een extra groei van de economie op van ruim 1 procentpunt. Opgeteld bij de tot nu toe verwachte groei van het bruto binnenlands product van 1,25 procent zal de economie door de prijsdaling op de oliemarkt volgend jaar dus 2,25 procent groeien.

Toekomstfonds

Of het CPB het ook zo zonnig inziet, zal volgende week blijken. Feit is dat het ook rekening houdt met de aard van de olieprijsverlaging. Als de prijsdaling aanbodgedreven is – olieproducerende landen schroeven hun productie niet terug of zelfs omhoog – dan zou dat inderdaad een positief effect op de economische groei van olie-importerende landen kunnen hebben. Maar als de prijsdaling vraaggedreven is – er is sowieso minder behoefte aan olie, omdat de wereldeconomie hapert – dan is dat effect beslist minder.

De verwachte daling van de gasprijs zal onvermijdelijk wel een negatief effect hebben op een recent paradepaardje van het kabinet: het Toekomstfonds, dat minister Kamp (Economische Zaken, VVD) met Prinsjesdag presenteerde. Dit fonds, ten behoeve van financiering en innovatie van het midden- en kleinbedrijf, zal behoudens een startkapitaal van 600 miljoen worden gevoed uit meevallers bij de aardgasbaten. Die meevallers, schreef Kamp in zijn toelichting aan de Tweede Kamer, „zullen vooral moeten komen uit hoger dan geraamde gasprijzen”.