Knulligheid is niet langer een uitvlucht

Bijna dertig jaar lang schilderde Emo Verkerk portretten, van de kunstenaars en schrijvers die hij bewondert. Nu maakt hij ook beelden van vogels. In het Haags Gemeentemuseum schept hij er een eigen universum mee.

Emo Verkerk, Flann O’Brien, 2011 Foto Willem Baars Projects

Vrijheid – je hoeft maar twee stappen te zetten in de grote Emo Verkerk-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag en het slaat als een lentebries in je gezicht: een tintelend gevoel van vrijheid. Neem de eerste zaal, die tamelijk verrassend ‘de Huiskamer’ heet.

Daar hangen onder meer een doek waarop de benen van twee van Verkerks artsen zijn te zien met een roodborstje ervoor, een portret van de Russische schrijver Venedikt Jerofejev (eet hij nou een broodje?), een doek van een lege boot waar de golven dreigend op af koersen en een portret van Vincent van Gogh die net een enorme pothoed van zijn hoofd licht. En dan staat in het midden van de zaal ook nog de tekentafel waarop architect H.P. Berlage het Gemeentemuseum ontwierp, met vijf Verkerk-vogels erop – een zomereend, een uil, een sperwer en een ekster die hij uit allerlei materialen bij elkaar heeft ‘geknutseld’. Ook staat er een houten Verkerk-stoel bij met een zitting die dusdanig is verlengd dat hij alleen nog in hoge nood als harde sofa dienst zou kunnen doen. Zo beschreven spat, vliegt, rent het alle kanten op, maar het wonderlijke is: het is volkomen consistent. Een geheel eigen wereld.

De reden daarvoor ligt voor de hand: al meer dan dertig jaar maakt Verkerk (1955) bijna alleen maar portretten. Dat zijn geen portretten in traditionele zin: waar in het genre meestal het subject de belangrijkste rol speelt, stak Verkerk vanaf het begin van zijn carrière niet onder stoelen of banken dat hij zichzelf, of beleefder gezegd: zijn visie op de geportretteerde zeker zo belangrijk vindt als het onderwerp zelf. Daar zat aanvankelijk voor een deel schilderkunstige onmacht achter: in zijn eerste jaren als kunstenaar was Verkerk technisch niet buitengewoon begaafd en dus greep hij naar onconventionele middelen om zijn portretideeën uit te voeren. Zo knipte hij geslaagde stukken uit mislukte doeken (een kin, een voorhoofd) en exposeerde die als afzonderlijk werk, hij plakte stukken uit het ene portret op het andere, bouwde portretten op uit spullen die hij vond in en rond zijn huis.

Gelijkenis

Klassiek is bijvoorbeeld zijn Portret van Georges Simenon: twee gaten in de muur (de ogen), een langgerekt stuk koper (de neus) en een zelf gesneden houten pijp (op de plek van de mond). Tegelijk maakten die gebrekkige uiterlijke gelijkenis en onconventionele uitvoering duidelijk dat het Verkerk vooral om zijn eigen visie te doen is – Verkerks ‘portrettengalerij’ laat zich misschien nog het beste beschouwen als een groot kamerscherm, met Verkerk in het midden, schijnbaar uit het zicht, maar indirect gereflecteerd in de vele honderden portretten die hij maakte van anderen. Zijn carrière is als een grote zoektocht naar iets wat je een ‘zelf’ zou kunnen noemen, maar waarvan hij al jaren beseft dat het zich nooit in één kunstwerk laat vangen. Een oeuvre als een gebroken spiegel, waar uiteindelijk toch een indringend zelfbeeld uit opdoemt.

Dat streven naar een zelfbeeld, dat verlangen naar overzichtelijkheid wordt in Den Haag nog eens versterkt doordat elke tentoonstellingszaal is ingericht als een themakamer. Zo is er een huiskamer, een logeerkamer, een werkplaats en een droomkamer. Nog opvallender zijn de twee kamers die volledig aan een persoon zijn gewijd: de schrijvers Joseph Roth en Venedikt Jerofejev. Blijkbaar voelt Verkerk zich zeer verwant met hen en als je de zalen in deze context ziet snap je dat ook wel: zoekers, spotters, drinkers zijn het, alle drie, en vooral diep doordrongen van de absurditeit van het bestaan.

Spiegelpaleis

Voor wie Verkerks oeuvre als een groot spiegelpaleis beschouwde, was het nogal opmerkelijk dat hij een jaar of tien geleden ineens beelden van vogels begon te maken – is er iets anoniemer, algemener denkbaar dan vogels? Op de tentoonstelling wordt duidelijk dat de verklaring daarvoor heel simpel is: zoals Verkerk in zijn ‘mensportretten’ specifieke mensen van een algemene betekenis voorziet, gebruikt hij de ‘algemene’ vogels om iets heel specifieks te zeggen over onderwerpen als melancholie, over ongrijpbaarheid – en vooral over vrijheid. Wat zijn vogels zo aanstekelijk maakt, is dat hij elke vogelsoort als een afzonderlijk, uniek wezen lijkt te beschouwen: je herkent ze meteen, de zomereend, het koekoeksjong, de jonge albatros, vooral doordat ze met zoveel vernuft, vrijheid en precisie zijn geconstrueerd dat je het gevoel hebt dat Verkerk het wezen van zo’n soort in een beeld heeft weten te vangen.

Daarin zit zowel schoonheid als tragiek: door vogels, toch symbool van vrijheid en ongrijpbaarheid, vast te pinnen, stil te zetten, haalt hij de kenmerkende dynamiek uit de beesten, maar worden ze ook bevattelijk, grijpbaar. Het is de tragiek van de gevangen vogel, en hoe langer je over deze tentoonstelling loopt, hoe meer je beseft dat precies die tragiek ook onder Verkerks oeuvre als geheel lijkt te schuilen: alleen door iets vast te leggen kan hij laten zien hoe ongrijpbaar het is. Dat je vrijheid alleen maar kunt tonen door haar te vangen.

Maar het mooie is: Verkerk lijkt er vrede mee te hebben. De laatste jaren is zijn werk steeds zelfverzekerder geworden: het knip-en-plakwerk, de plastic mondjes en de schijnbaar vrije provisorische oplossingen maken steeds vaker plaats voor opvallend goed geschilderde doeken, slimme composities, subtiel kwastwerk – alsof Verkerk zichzelf ook als uitvoerend kunstenaar steeds serieuzer durft te nemen, alsof hij de uitvlucht van de knulligheid niet meer nodig heeft om te zeggen wat hij zeggen wil. Dat doet niets af aan het resultaat, sterker nog: lopend door de tentoonstelling voel je dat Verkerk zich steeds verder bevrijdt van alle beperkingen en conventies. Emo Verkerk kan eindelijk maken wat hij wil en dat doet hij met een vrijheid en aanstekelijkheid die je in de Nederlandse kunst maar zelden ziet.