Integratie leidt tot verbod op antiwesterse meningen

Bij een democratie horen ‘onwenselijke’ ideeën. Integratie slaagt pas als zij van onderop plaatsvindt, stellen Tom Zwart en Zaineb Somra.

Illustratie Angel Boligan

In zijn Cleveringalezing (NRC, 24 november) verklaarde minister Opstelten zich een aanhanger van de ‘weerbare democratie’: diegenen die hun grondrechten gebruiken om afbreuk te doen aan de beginselen van de rechtsstaat worden aangepakt. Minister Asscher heeft aangekondigd een aantal Turkse organisaties in Nederland onder de loep te zullen nemen die niet warm lijken te lopen voor de integratie van Turken. Bovendien onderzoekt hij de mogelijkheid van een verbod van politieke partijen die invoering van de Sharia bepleiten.

Deze uitspraken laten zien dat de Nederlandse democratie ingrijpend verandert. Tot een paar jaar geleden kon alles in dit land ter discussie worden gesteld, mits dat maar gebeurde met inachtneming van de democratische spelregels. Met andersdenkenden gingen we het debat aan in de hoop hen te overtuigen. Zoals Voltaire al aangaf, ook al keuren we af wat iemand zegt, we verdedigen wel zijn recht om dat te doen.

Maar de laatste tijd worden steeds meer uitlatingen met behulp van strafbaarstellingen – en straks misschien ook met partijverboden – onderdrukt. Dat begon met de vervolging van Geert Wilders in 2009 en is nu uitgebreid tot diegenen die ‘anti-westerse, anti-integratieve en onverdraagzaam isolationistische’ uitlatingen doen, zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding dat noemt.

Individuen en groepen worden op deze manier van het debat uitgesloten en ter correctie overgedragen aan de justitiële autoriteiten. Uit de participatieverklaringen die nieuwkomers in bepaalde gemeenten ondertekenen blijkt dat van hen wordt verwacht dat zij bepaalde waarden onderschrijven en actief uitdragen. Daarmee wordt dan gesuggereerd dat hun oorspronkelijke waarden inferieur zijn en moeten worden opgegeven.

Het probleem is niet alleen dat de Nederlandse democratie groepen op inhoudelijke gronden uitsluit, maar daarmee ook zijn eigen geloofwaardigheid ondermijnt. De democratie gaat uit van de gedachte dat iedereen meedoet door zijn wensen en ideeën in te brengen in de discussie. ‘Onwenselijke’ ideeën moeten binnen het systeem aan de kaak worden gesteld in plaats van daaraan de toegang te ontzeggen. Anders ontstaat de parallelle samenleving die minister Asscher juist zegt te willen voorkomen.

Die uitsluiting beperkt zich helaas niet tot de democratie, maar strekt zich ook uit tot andere terreinen. Jongeren uit minderheidsgroepen krijgen vaak geen faire kans om hun ambities waar te maken en voelen zich dikwijls afgewezen. Dat is een van de pushfactoren die sommigen bewegen hun heil elders te zoeken en zich aan te sluiten bij de jihad. De Nederlandse overheid legt reisverboden op, zet uitkeringen stop en bevordert ‘coachen’. Maar zij kan beter investeren in een integratiebeleid dat leden van minderheden motiveert en in staat stelt om voluit deel te nemen aan de samenleving. Daarbij gaat het om wederzijds respect: door de culturele en religieuze achtergrond van de nieuwkomer te accepteren zal hij meer openstaan voor Nederlandse waarden.

De migranten die vanaf het midden van de vorige eeuw naar Nederland kwamen hoefden niet te integreren en konden daarom hun eigen cultuur behouden. De laatste jaren wordt vaker aangedrongen op assimilatie, te weten het prijsgeven van de eigen cultuur om de Nederlandse identiteit aan te nemen. Men gaat ervan uit dat integratie en beleving van de eigen cultuur elkaar uitsluiten. Maar mensen geven hun cultuur niet graag op, zeker niet nu ze die via satelliettelevisie en sociale media gemakkelijk op peil kunnen houden. Als ze worden gedwongen dat te doen, is de kans groot dat ze zich ingraven.

De uitdaging is om de eigen cultuur van leden van minderheidsgroepen juist aan te spelen om de integratie te bevorderen. Die methode is de afgelopen jaren met succes toegepast op het terrein van de mensenrechten. Zo helpen op westerse leest geschoeide publiekscampagnes en wetgeving niet om een einde te maken aan vrouwenbesnijdenis in Afrika. Wat wel helpt zijn initiatieven van onderop, zoals bijeenkomsten waarbij de hele dorpsgemeenschap over het vraagstuk discussieert en de praktijk uiteindelijk gezamenlijk afzweert.

Deze zogenaamde receptorbenadering kan ook met succes worden toegepast op het integratiebeleid. Zoals bekend zijn schoolverzuim en -uitval onder Romakinderen hoog. Het afdwingen van de aanwezigheid op school van deze kinderen door handhaving van de leerplicht heeft weinig effect. Maar uit onderzoek blijkt dat Romaouders het schoolgaan van hun kinderen actief bevorderen zodra ze het gevoel hebben dat de leerkrachten de Romacultuur begrijpen en respecteren. In plaats van de leerplichtambtenaar op de ouders af te sturen is het dus verstandiger wanneer leerkrachten zich enigszins in de Romacultuur verdiepen.

Als meer wordt geïnvesteerd in een beleid dat de cultuur van leden van minderheidsgroepen respecteert en beschouwt als een bouwsteen voor integratie, hebben we geen strijdbare democratie nodig.