Het volgende heilige huisje?

Het was gisteren groot nieuws. Alle televisiejournalen openden ermee en de Volkskrant trapte er ’s ochtends al mee af op de voorpagina: ‘Alcohol en pubers: twijfel aan schade.’ De Utrechtse neuropsychologe Sarai Boelema die morgen op dit onderzoek promoveert, liet in de Volkskrant optekenen dat er geen bewijs is dat jongeren slechter gaan presteren door alcoholgebruik. Een langlopende studie onder 2.230 Nederlandse jongeren laat zien dat drinkers niet slechter functioneren dan niet-drinkers als het gaat om geheugen, impulscontrole en concentratievermogen.

Tegenovergestelde berichtgeving hierover bleek volgens Boelema gebaseerd op onderzoek naar pubers die aan alcohol verslaafd waren. Zij zegt hier over: ‘De cognitieve schade die dat kan opleveren is ten onrechte veralgemeniseerd. Bovendien hebben verslaafden vaak psychische problemen. Mogelijk verklaart dat hun slechte cognitieve prestaties.’

Een ongenuanceerd ‘dat alcohol slecht is voor kinderen staat als een paal boven water’ van staatssecretaris Martin van Rijn viel haar ten deel. Om in zijn zelfde verklaring te vervolgen: ‘Tegenover dit onderzoek staan tal van onderzoeken naar schade door alcohol bij ongeboren kinderen…’

Kijk aan, denk ik dan op mijn beurt.

Kent Van Rijn wat dit onderwerp betreft wel alle onderzoeken? Of alleen degene die hem van pas komen en stopt hij de bevindingen die hem onwel willig zijn in de onderste la?

Voor mijn boek Wijnreis door mijn lichaam, over de positieve effecten van wijn drinken, is een hoofdstuk te vinden onder de titel ‘Voortplanting.’

Daarin wordt aan de deur gerammeld van het volgende heilig huisje: drinken tijdens de zwangerschap. Dat dit gegarandeerd slecht is valt eveneens te betwijfelen. Als we tenminste de researchers van het Londense University College mogen geloven.

Zij ontdekten in 2008 – in samenwerking met de universiteit van Oxford – dat vrouwen die tijdens hun zwangerschap één of twee alcoholhoudende consumpties per week drinken geen verhoogd risico hebben op kinderen met gedragsproblemen. Sterker nog, tot zes glazen per week resulteert zelfs niet in een negatieve score. Aan het onderzoek deden 12.500 moeders mee met baby’s tot negen maanden oud.

Wanneer hun kinderen de leeftijd van drie jaar bereikten, deden de onderzoekers opnieuw navraag naar het gedrag van de kinderen. De resultaten lieten zien dat zonen van moeders die één tot twee glazen in de week hadden gedronken 40 procent minder kans liepen op diverse gedragsproblemen en 30 procent minder kans hadden op hyperactief gedrag dan de kinderen van moeders die helemaal niets hadden gedronken. Ook scoorden de kinderen beter op het benoemen van kleuren, vormen, letters en getallen.

Dochters van vrouwen die tijdens de zwangerschap één of twee glazen per week hadden gedronken, hadden bovendien 30 procent minder kans op emotionele problemen dan de dochters van geheelonthouders. Gezegd moet worden dat het drinken van zes of meer glazen per week juist een hogere kans op gedragsproblemen en problemen in de cognitieve ontwikkeling gaf.

Overigens is er in 2010 nog een vervolgstudie gedaan door de onderzoekers, omdat zij wilden uitsluiten dat er geen sprake was van een vertraagd effect dat pas op iets latere leeftijd zichtbaar wordt. Vandaar dat de nu vijfjarigen wederom werden getest op onder andere gedragsproblemen, hyperactiviteit, de relatie met leeftijdsgenoten, emotionele problemen, cognitieve vaardigheden, woordenschat en ruimtelijk inzicht.

De moeders werden onderverdeeld in ´nooit drinkers´, ´niet tijdens de zwangerschap drinkers’, ‘lichte drinkers’ (1 of 2 glazen per week), ‘matige drinkers’ (max. 3 – 6 glazen per week) en ‘zware drinkers’ (meer dan 7 glazen per week). De ‘niet tijdens de zwangerschap drinkers’ werden in dit onderzoek als referentiegroep genomen.

De groepen moeders verschilden ook op diverse andere punten van elkaar: zo had de groep ‘lichte drinkers’ het hoogste sociaal economische profiel en de groep ‘nooit drinkers’ het laagste sociaal economische profiel. De ‘niet tijdens de zwangerschap drinkers’ zaten hier tussenin. In de rekenmodellen werd voor zoveel mogelijk verstorende variabelen gecorrigeerd om vertekening van de resultaten te minimaliseren.

Uit de analyse bleek dat de kinderen van de ‘lichte drinkers’ ook op 5 jarige leeftijd ten aanzien van hun sociaal emotionele ontwikkeling en cognitieve vaardigheden niet verschilden van de kinderen van ‘niet tijdens de zwangerschap drinkers’ en dus geen hoger risico liepen op de genoemde aspecten. De zonen van de moeders die 1 a 2 glazen per week dronken tijdens de zwangerschap bleken op cognitief gebied iets hoger te scoren dan de zonen van de moeders die geen alcohol dronken tijdens de zwangerschap.

Maar misschien moeten we al die onderzoeken benaderen zoals Bert Wagendorp dat in mei van dit jaar in de Volkskrant deed.

Onder kop ‘Rode wijn is toch geen toverdrank’ werd destijds ingegaan op een onderzoek van de Johns Hopkinsuniversiteit in Baltimore. Zij vonden uit dat de achthonderd Italiaanse 65-plussers die zij negen jaar volgden niet langer leefden terwijl zij toch veel van het antioxidant resveratrol binnenkregen dat in rode wijn zit. Ik heb daar destijds op deze plek in een artikel ook al aandacht aan besteed.

Wagendorp (nota bene bierliefhebber) reageerde de volgende dag op de conclusies uit Baltimore in zijn column met ‘Verdachtmakingen over rode wijn – het is stuitend’. Hij constateert dat de voedingsgeleerden cum laude zijn geslaagd in het elkaar tegenspreken.

‘Je hebt je dieet nog niet radicaal omgegooid vanwege onderzoek dat uitwijst dat zuurkool een pijnlijke dood garandeert, of een andere wijsneus belooft je de 120 als je maar drie keer per week zuurkool eet. Geen grotere ellendelingen dan onderzoekers van de werking van voedingsmiddelen op onze gezondheid.’

Wellicht doen we er het verstandigst aan om al die onderzoeken te lezen als bijsluiters van financiële producten.

Daar staat zonder uitzondering de waarschuwing in: ‘In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.’

Wordt ongetwijfeld vervolgd.