Goedkopere olie hoeft geen slecht nieuws te zijn

Als de olieprijs daalt, wordt misschien ook het gas goedkoper. En dat betekent minder inkomsten voor het kabinet. Maar hoe belangrijk is dat voor de schatkist?

Moet de minister van Financiën zich zorgen maken over de almaar kelderende olieprijs? Zou de dalende olieprijs ook de prijs van ‘ons’ gas kunnen meesleuren, zoals vroeger gebeurde?

Volgende week donderdag volgt duidelijkheid, als het Centraal Planbureau (CPB) met nieuwe, tussentijdse ramingen komt over de economie van Nederland. Tot nu toe rekende het CPB met een tamelijk stabiele olieprijs: 108 dollar per vat in 2014, 107 dollar in 2015.

Maar die prijs is de laatste maanden drastisch gedaald. Een vat olie kost nu zo’n 70 dollar, 35 procent minder. Hoewel het CPB niet op de zaken vooruit wil lopen, is de verwachting dat in de ramingen van volgende week de gasbaten naar beneden zullen worden bijgesteld.

Dat hoeft op zichzelf geen ramp te zijn voor de overheidsfinanciën. De gasprijs is niet meer direct aan de olieprijs gekoppeld, dat was tot de eeuwwisseling wel zo. Er is nog wel verband tussen beide markten, maar de gasprijs hobbelt er altijd wat achteraan.

Ook zijn de schommelingen van de gasprijs minder hevig dan die van olie. Zo verdrievoudigde de prijs van ruwe olie in de periode 2000-2012 (tot 113 dollar per vat). De gasprijs steeg in dezelfde periode met iets meer dan 50 procent (tot 23 cent per kubieke meter). Daarnaast zijn de opbrengsten uit gaswinning voor de schatkist beperkt.

In de Miljoenennota 2015 raamt het kabinet de gasbaten op 9,1 miljard euro. Dat is nog geen 4 procent van de totale overheidsinkomsten (246,8 miljard). Maar als de gasbaten de olie één-op-één zouden volgen en ook met 35 procent onderuit zouden gaan, levert dat wel een tegenvaller van ruim 3 miljard op.

Goedkopere olie? Meer geld over

Daar staat veel tegenover. Want economen gaan ervan uit dat een daling van de olieprijs een aanzienlijk gunstig effect heeft voor landen die veel olie importeren. Volgens energie-econoom Hans van Cleef van ABN Amro kun je een eenvoudige formule hanteren, die het rechtstreekse effect van de olieprijs op de economie laat zien: bij elke olieprijsdaling van 10 dollar per vat, krijgt de economische groei een impuls van 0,3 procentpunt.

Van Cleef: „Deze vuistregel is gebaseerd op het feit dat er bij een lagere olieprijs vermogen verschuift van olieproducenten naar olieconsumenten. Als ze minder uitgeven aan olie of olie-gerelateerde producten, kunnen consumenten dat geld besteden aan andere producten en diensten.”

Die extra consumentenbestedingen leveren weer meer belastinginkomsten op. En dat is een aanzienlijk groter deel van de overheidsbegroting. Voor komend jaar raamt het ministerie van Financiën de inkomsten uit btw en accijnzen op ruim 56 miljard euro, bijna een kwart van alle overheidsinkomsten.

Als de formule van ABN Amro klopt en we die op de huidige olieprijs van 70 dollar per vat hanteren – afgezet tegen de voor 2015 geraamde 107 dollar – zou dat voor volgend jaar een extra stijging van de economie opleveren van ruim 1 procentpunt. Opgeteld bij de tot nu toe verwachte groei van het bruto binnenlands product van 1,25 procent zou de Nederlandse economie door de ontwikkelingen op de oliemarkt volgend jaar dus 2,25 procent groeien.

Of het Centraal Planbureau het ook zo zonnig inziet, moet volgende week blijken. Dat ligt eraan hoe economen daar naar de oorzaak van de dalende olieprijzen kijken. Want een daling die aanbod-gedreven is – olieproducerende landen schroeven hun productie op – zou inderdaad een positief effect op de economische groei van olie-importerende landen kunnen hebben.

Maar een vraag-gedreven daling – als er sowieso minder behoefte aan olie is omdat de wereldeconomie tegenzit – zorgt ook voor dalende prijzen. En dat geeft een effect dat beslist minder gunstig is, omdat de goedkopere brandstofprijzen niet opwegen tegen de haperende wereldhandel. Allebei de oorzaken spelen mee. Het is nu de vraag hoe het CPB ze weegt.