Doe niet zo romantisch over de zorg voor elkaar

Evelien Tonkens en Femmianne Bredewold bekijken de overheidscampagne voor mantel- en buurtzorg en zien hoe hier een rooskleurig beeld wordt geschetst van vrijwilligers die moeten zorgen voor zieke en zwakkere mensen.

illustratie hajo

Wat veranderde eerst: Nederland of de zorg? Nederland veranderde eerst, volgens de regering. ‘Nederland verandert en de zorg verandert mee’, heet de campagne op radio, tv en internet. Sara krijgt een wijkverpleegkundige langs, meneer Berg ‘gaat naar een zorginstelling’ en mevrouw Pietermaai krijgt ‘de hulp die ze nodig heeft’.

Tot zover de zorg, weinig nieuws onder de zon zou je zeggen. Wat bedoelt men dan met dat Nederland verandert? Vermoedelijk dit: Sara’s echtgenoot Jasper ‘kan veel opvangen’, vertelt de voice-over, de neef van mevrouw Pietermaai helpt ‘met wat hij kan’. Een buurvrouw komt boodschappen brengen.

Een warme gezellige boel, dat zorgen voor elkaar! En dat willen wij zelf: ‘de zorg verandert mee’ omdat wij dit willen, is de boodschap.

De campagne schetst aldus een romantisch beeld van ingrijpende veranderingen. Om te beginnen romantiseert de overheid hiermee de mantelzorg. Nederland heeft al veel mantelzorgers: een op de vier volwassenen geeft hulp en/of zorg aan iemand in z’n directe omgeving. Dat zijn zo’n 3,5 miljoen Nederlanders. 450.000 van hen voelen zich overbelast. Twaalf procent van de werknemers combineert werk met mantelzorg.

Vragen we nog meer mantelzorgers, dan vergroten we het risico op huiselijk geweld. Nu reeds worden, volgens het ministerie van VWS, jaarlijks 200.000 ouderen mishandeld. Je partner opsluiten in de douche, zodat je even boodschappen kunt doen. Of hem een klap verkopen, nadat je hem voor de honderdste keer hebt uitgelegd dat je zijn geld niet hebt gestolen.

Met de naderende decentralisaties, per 1 januari, zien we meer romantiseringen. Zoals de romantisering van de buurt. In de campagne zie je buren die alle tijd hebben voor boodschappen en pannetjes soep. Dit beeld sluit helemaal niet aan bij hoe Nederland nu is en verandert. Onderzoek leert dat we in Nederland vinden dat een goede buur ‘gepaste afstand’ bewaart. Incidentele hulp, zoals suiker lenen, bij vakantie de planten water geven, of de container buiten zetten, vinden we prima, maar structureel helpen niet, en structureel zorgen al helemaal niet.

Goedwillende buren

En dit gaat allemaal over geestelijk gezonde mensen, terwijl de regering ook veel van de buurt verwacht als het gaat om mensen met een psychiatrische achtergrond of verstandelijke beperking. Ons onderzoek laat zien dat die mensen vooral met buren vaak moeizame contacten hebben. Juist goedwillende buren worden soms overlopen door een enthousiaste buurman die niet goed begrijpt dat je niet elke dag op bezoek kunt komen. Wat wel goed gaat, zijn vluchtige contacten op straat, vooral met hondenbezitters die een wandelingetje maken, en praatjes in winkels met winkeliers.

Ook zelfredzaamheid en zelfstandigheid worden sterk geromantiseerd. In de televisiespotjes van de rijksoverheid zien we blije zieke en oude mensen die lekker lang thuis wonen. Zelfredzaamheid heet dat in beleidstaal. Het is een mooi woord voor verschuiving van afhankelijkheid van de overheid naar familie en buren.

Buurtplantsoen schoonmaken

Het verzorgingshuis verdwijnt, er is een kwart minder geld voor thuiszorg. De meeste mensen vinden het helemaal niet fijn om anderen meer hulp te vragen. Ze willen niet als ‘zwaar geval’ gezien worden en vinden dat hun familie en buren al (te) veel moeten doen. ‘Mogen buren ook gewoon buren blijven, in plaats van dat ik hen lastig moet vallen met vragen om hulp, waardoor ik afhankelijk van hen word?’, verzuchtte een blinde vrouw in een van onze onderzoeken.

Actieve burgers zijn eveneens object van romantisering. Bij de decentralisaties wordt alles verwacht van mensen die (niet alleen buren en de familie helpen, maar ook) uit eigen beweging als vrijwilliger het buurtplantsoen schoonmaken, een zorgcoöperatie beginnen en na een dag werken gaan vergaderen in het buurtcomité. Die mensen zijn er gelukkig: het is ongeveer een derde van de bevolking.

In Engeland noemen ze dit de civic core: mensen die dit allemaal doen, en ook nog vaker gaan stemmen, protesteren en een klacht indienen. Ze vormen helaas geen afspiegeling van de Nederlandse bevolking: het zijn vooral hogeropgeleiden. Onder hen zijn nogal wat werkloze kunstenaars, vormgevers en andere creatieven op zoek naar klussen. Vrijwilligerswerk doen zij vaak tijdelijk.

En dan is er de romantisering van ‘generalisten’: betaalde krachten die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld hulp aan autisten, arbeidsre-integratie van werklozen, of zorg voor dementerenden maar die nu iedereen moeten helpen en ‘generalist’ heten. Het is een alternatief voor de vaak bekritiseerde situatie van twintig hulpverleners in het gezin. Voortaan is het adagium: één huishouding, één plan, één hulpverlener. Daar zijn goede redenen voor, want 28 hulpverleners in één gezin is een bureaucratische nachtmerrie.

Maar het alternatief is riskant. Veel hulpverleners hebben voor zo’n brede taak niet voldoende opleiding. Intussen krijgen ze wel steeds meer verantwoordelijkheid, onder fraaie vlaggen als ‘zelfsturing’ en ‘zelforganisatie’.

Zo wordt ook de arbeidsmarkt voor mensen met een beperking geromantiseerd. De decentralisaties moeten werk voor hen dichterbij brengen. Als re-integratie en dagbesteding onder gemeenten vallen, moet dat lukken, is het rooskleurige idee. Intussen wordt de sociale werkvoorziening afgebouwd en moeten veel projecten voor dagbesteding, zoals zorgboerderijen, sluiten door bezuinigingen. Maar geen zorg: het bedrijfsleven heeft beloofd 100.000 banen te scheppen en de overheid 25.000. Hoe? Dat is nog niet duidelijk. Mensen met ‘een vlekje’ in dienst nemen, is nog steeds riskant, want als iemand uitvalt, moet de werkgever twee jaar doorbetalen. Dat schrikt zelfs de meest welwillende werkgevers af.

Halfslachtig

De laatste romantisering betreft ‘bestuurlijke nabijheid’. Met de decentralisaties komen het bestuur en de professionals naar de burger. Het wordt allemaal dichterbij georganiseerd en daardoor zullen we het ook als dichterbij ervaren. Dat klinkt goed maar tot nu toe heeft Nederland op dit punt een weinig geloofwaardige staat van dienst. In ons land verlopen decentralisaties vaak halfslachtig: echt loslaten vanuit het rijk is er niet bij, waardoor er slechts een extra bestuurslaag bij komt. En inderdaad, het ministerie van Binnenlandse Zaken ontwikkelt al een monitor voor de decentralisaties: alle gemeenten moeten langs dezelfde meetlat. Wie gelijk gemeten worden, gaan vanzelf op elkaar lijken, zoals in het onderwijs. Door de Citotoets en Top-zoveels van scholen ontstaat hier meer en meer een eenheidsworst.

Nee, de zorg volgt niet, de overheid stuurt de zorg, met romantische beelden. De overheid stelt deze veranderingen voor als iets heerlijks dat wij graag willen. Dit dreigt ons het zicht op de harde realiteit te ontnemen.