Column

Deflatie? Misschien, maar niet erg lang

Krijgen we deflatie in Nederland? De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek van vanmorgen suggereren van wel. De inflatie in Nederland daalde van 1,1 procent in oktober naar 1 procent in november. Dat lijkt gering, maar van maand op maand gingen de prijzen met 0,6 procent omlaag. Nog twee van zulke maanddalingen en deflatie is in januari een feit, zou je zeggen. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Volgens de Europese definitie is de Nederlandse inflatie al zeer laag: 0,3 procent op jaarbasis in november. Wat zijn nu de invloeden die de inflatie in de eerstvolgende tijd kunnen sturen?

Olie, uiteraard. De prijsval van 115 dollar per vat naar 70 dollar per vat sinds juni van dit jaar hakt er in. De benzineprijs bestaat evenwel voor het grootste deel uit vaste componenten (accijns, btw over die accijns), zodat de reactie aan de pomp veel milder is dan vaak gedacht. De prijs van benzine daalde van 1,83 euro per liter begin oktober naar 1,63 euro in november. The Wall Street Journal berichtte bovendien dat de invloedrijkste olieproducent, Saoedi-Arabië, bereid is een olieprijs van 60 dollar te doorstaan. In dat geval kan de benzineprijs zo naar zo’n 1,53 euro per liter.

Daar tegenover staat dat autobrandstoffen maar 4 procent deel uitmaken van het mandje van uitgaven dat het CBS voor de inflatieberekening hanteert – hoewel de olieprijs natuurlijk wel doorsijpelt in de kosten van veel andere producten en diensten.

Wat intussen vaak wordt vergeten is dat de gasprijs de heel andere kant op gaat. Die stijgt namelijk fors sinds de zomer. Gas en olie hebben op de wereldmarkt steeds minder met elkaar te maken.

De gasprijs wordt met vertraging doorberekend aan consumenten en veel bedrijven, dus dat merken we nog niet. En dan is er nog de koers van de euro. De eurodollarkoers is voor iedereen onvoorspelbaar (uitgezonderd het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen). Maar alleen al van de recente koersdaling van de euro valt te verwachten dat die de prijzen van veel invoergoederen opdrijft.

Welke? Voorbeeld: het gros van de sinterklaascadeautjes waar iedereen op dit moment hard op ploetert, komt uit Azië en luistert direct of indirect naar de dollarkoers. Vanmorgen stond de euro op 1,2315 dollar, en dat is de laagste stand in twee jaar. Ook in dit dollareffect zit vertraging, maar de kans is groot dat, als het zo doorgaat, de sinterklaasinkopen in 2015 in ieder geval een stukje duurder zullen zijn.

Zo breekt een tijdperk aan van enige inflatieverwarring. Allereerst is de inflatie in Nederland, volgens de Europese definitie, al 0,3 procent. Invloeden op de korte termijn kunnen er voor zorgen dat dit cijfer de eerstvolgende maanden in de min belandt. Prima voor de koopkracht – al zal die voor een flink deel weglekken naar buiten Europa. Maar er zijn dus ook invloeden op de wat langere termijn die wijzen op een lichte toename van de inflatiedruk.

Prognose: veel gedoe over deflatie in de eerste maanden van 2015, dat verstomt als het cijfer daarna weer boven de nul komt. Die periodes van kortstondige deflatie zijn er vaker geweest: halverwege de jaren tachtig bijvoorbeeld. En nog in het najaar van 2008, toen de financiële crisis losbarstte.

Dat wil niet zeggen dat het probleem straks dus weer over is. Er zijn argumenten zat om te betogen, dat lage inflatie er nog wel een tijdje zal zijn. Structurele stagnatie of ondermaatse groei hebben een drukkend effect op de prijzen. En ook een hardnekkig lage inflatie, al is het dan geen deflatie, is niet best. Maar Japan-scenario’s? Mwah.