De rechter kan de achterdeur van de coffeeshop openen

Zal de komst van een ‘cannabisvereniging’ het wietbeleid veranderen?

Het Nederlandse gedoogbeleid staat onder druk. Of het nu door een gerechtelijk vonnis in Groningen is, door een manifest van burgemeesters of door een particulier initiatief – telkens wordt dezelfde dringende vraag gesteld bij het huidige beleid. Als wiet legaal mag worden verkocht, waarom kan er dan niet legaal worden gekweekt?

Negen maanden geleden zetten 54 gemeenten hun handtekening onder een oproep aan minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD). Vraag één was: wil de minister landelijk gereguleerde wietteelt toestaan? En zo nee, laat dan op zijn minst gemeenten experimenteren met legale wietteelt. Anders, zeggen zij, zullen wij voorgoed achter de illegale handel aan rennen, met alle criminaliteit en gevaarlijke drugs die daarbij horen.

Het gaat allemaal om de spreekwoordelijke achterdeur van de coffeeshop. Daar komen de drugs illegaal binnen die aan de voordeur – legaal – à vijf gram per persoon worden verkocht. Er zijn twee sleutels waarmee de achterdeur open kan. De eerste heeft Opstelten in handen. Als hij gemeenten toestaat te experimenteren met gecontroleerde wietteelt, staan de burgemeesters te trappelen om hun plannen daartoe te starten.

In Limburg, bijvoorbeeld, dienden acht gemeenten in 2013 al een voorstel voor regulering in bij de minister. Heerlen werkt nu een concreet plan uit, dat begin volgend jaar wordt verwacht. Eindhoven werkt aan een notitie waarin wordt aangegeven hoe lokale experimenten eruit zouden moeten zien. En de gemeente Utrecht ondersteunt een particulier experiment met kleinschalige cannabis social clubs, waar in een gesloten circuit geteeld moet worden voor eigen gebruik.

Maar niet alle steden zijn zo assertief.

Een rondgang langs veertien gemeenten met meer dan vijf coffeeshops leert dat een grote meerderheid het manifest weliswaar heeft ondertekend, maar daar geen consequenties aan verbindt. Als de minister geen ruimte geeft, dan gebeurt er niets. De reactie uit Haarlem (zestien coffeeshops) is typerend: „We gaan pas iets doen indien de minister groen licht geeft.”

Maar daarin hebben de schrijvers van het manifest weinig vertrouwen. De Utrechtse wethouder Victor Everhardt (volksgezondheid, D66), een van de auteurs van het manifest, stelt dat „wachten op Opstelten” gelijk staat aan „wachten op niets”.

Hoe onbeweeglijk de minister op dit dossier is, bleek gisteren uit de reactie van de minister op een particulier initiatief in Amsterdam. Daar is de eerste cannabis social club van Nederland opgericht die het gedoogbeleid zo uitlegt, dat er op grotere dan op strikt individuele schaal kan worden geteeld. „In de ogen van de minister kan het niet”, zei een woordvoerder. „Volgens internationale regels zullen lokale autoriteiten moeten optreden zodra bekend is waar de club de wiet kweekt.”

Zonder medewerking van de minister komt de tweede sleutel in beeld. Die hebben rechters in handen, omdat zij met hun uitspraken ruimte kunnen scheppen voor experimenten. Twee wiettelers uit Groningen kregen in oktober geen straf van de rechtbank in Groningen voor de teelt en verkoop van wiet, ondanks dat ze hieraan schuldig zijn bevonden. De rechter vindt dat de twee op een verantwoorde wijze teelden en daarom geen straf verdienen. De uitspraak toonde de tweeslachtigheid van het beleid en kan de patstelling in het gedoogbeleid doorbreken. Het tweetal overtrad de wet, zei de rechter, maar opereerde wel „binnen de belangrijkste doelstellingen van het door de overheid ontwikkelde softdrugsbeleid”.

Paul Depla, burgemeester van Heerlen, voorvechter van gemeentelijke wietexperimenten en mede-auteur van het manifest, vestigt daarom zijn hoop de rechterlijke macht. „Als een hogere rechtbank het vonnis van de Groningse rechtbank bekrachtigt, zien wij dat als groen licht om een experiment te beginnen met gereguleerde wietteelt.”