De kunstenaar, ach die doet het wel voor niets

Soms zou je het bijna vergeten als je terugdenkt aan die eindeloze reeks BKR-kunstwerken die gemeente- en provinciehuizen, andere openbare instellingen, kunstuitlenen en depots overstroomden: er is geen aparte inkomensregeling meer voor kunstenaars. Die vermaledijde BKR is al in 1992 afgeschaft. Er zijn nog opvolgers gekomen. Een vorige week gepubliceerd onderzoek naar honoraria van kunstenaars somt ze op, het stemt bijna treurig. Sinds twee jaar is er niets meer. De kunstenaar wordt beschouwd als alle andere zzp’ers. Het past volgens de politiek niet meer als voor kunstenaars andere regels zouden gelden dan voor andere ondernemers of werknemers. Welkom, cultureel ondernemer, in de ‘normale wereld’.

Als je op een tentoonstelling loopt van een Nederlandse kunstenaar in een museum of beeldendekunstinstelling, dan verwacht je alleen al daarom als argeloze bezoeker dat die culturele ondernemer daarvoor iets betaald krijgt. Dat valt dus tegen, blijkt uit dit onderzoek dat de beeldendekunstwereld zelf heeft laten uitvoeren. Driekwart van de kunstenaars maakt enige afspraak over betaling bij een tentoonstelling. Klinkt nog goed. Maar bij het overgrote deel gaat het dan om onkostenvergoedingen. Geen inkomen. In tweederde van de gevallen is geen sprake van een honorarium. Als dat wel het geval is gaat het om bedragen van 1.500 tot 3.000 euro. Geen vetpot.

Maar het is nog schokkender. Vier musea weigeren principieel een honorarium te betalen. Eén museum zegt „geen sociale dienst” te zijn, een ander dat „een museum geen productiehuis is, en geen galerie”. Een derde laat zich gewoon niet in met kunstenaars die om hanggeld vragen. Als je bedenkt dat deze vier eenderde van het aantal musea vormen dat meedeed aan dit onderzoek, dan is het hoog. Sommige willen zelfs niet meedoen aan een pilot die nu uitgevoerd gaat worden om te onderzoeken of er, zoals in sommige andere landen, een honoreringsrichtlijn of model met nationale werking moet komen.

Er zijn heldere tegenargumenten. De tentoonstelling biedt de kunstenaar de kans zijn werk te tonen en te verkopen aan verzamelaars, het stijgt in waarde doordat het in een museum hangt, de bekendheid groeit. Bovendien zijn die tentoonstellingen vaak zelfs zonder honoraria verlieslatend en kunnen musea ze alleen door kruissubsidies uit blockbusters financieren.

Maar een goede onderneming financiert uit haar cash cows ook zijn research and development. Die is altijd een kostenpost en levert, inherent aan innovatie, soms de producten van de toekomst op en soms ook mislukkingen. Deze tentoonstellingen zou je ook kunnen beschouwen als investeringen in kunst die in de toekomst beeldbepalend kan zijn. Of vergeten wordt. Ook dat hoort tot cultureel ondernemerschap.

Subsidie is er voor musea om te innoveren, om met kunstenaars grenzen af te tasten, om risico’s te nemen die de markt niet financiert. Een wetenschapper krijgt voor zijn onderzoekswerk betaald, zelfs al komen de patenten op zijn naam. Waarom een kunstenaar dan niet?