Zuipen, rellen, slopen en afrekenen

Verbaasd, een beetje verontwaardigd zijn de jongeheren als studente Lauren, van simpele komaf, niet even onder de tafel wil kruipen om ze oraal te bevredigen. 27.000 pond, dat is drie jaar collegegeld! „We hebben het beste sperma van het land!”

In The Riot Club van de Deense regisseur Lone Scherfig (An Education, One Day), gebaseerd op het toneelstuk Posh uit 2010, loopt een diner van een superelitair Oxfords genootschap gierend uit de hand. Goed, normaliter eindigen die ook in drankgelagen met prostituees en vandalisme, en wordt de schade ter plekke afgerekend. Maar de 21ste eeuw is de 19de eeuw niet: onderdanen hebben praatjes. Zoals de hoer die ‘sekswerker’ wil heten, of de eigenaar van ‘gastro-pub’ The Bull’s Head die niet braaf hun geld accepteert als ze zijn liefdevol ingerichte, maar net niet echt stijlvolle dinerzaal tot gort slaan.

The Riot Club gaat uiteraard over Oxfords beruchte Bullingdon Club, in 1780 opgericht als cricketteam, in de 19de eeuw verworden tot een elitaire, vernielzuchtige dinerclub. Directe inspiratie lijkt een diner onder ‘generaal’ Alexander Fellowes, een neef van prinses Diana. De eigenaar van de 15de-eeuwse White Heart Pub nam in januari 2005 geen genoegen met 500 pond schadevergoeding toen 18 wijnflessen en een raam sneuvelden, maar belde de politie. Met Fellowes liep het prima af: onlangs bezocht prins Harry zijn huwelijk met een achter-achter-achterkleindochter van whiskystoker Johnnie Walker. De top van de Conservatieve Partij zit vol ex-leden van Bullingdon: premier Cameron, minster van Financiën George Osborne en Boris Johnson, burgemeester van Londen.

In The Riot Club richt Scherfig het focus op twee nieuwe leden: Miles, geëerd door de uitnodiging, maar goedhartig en verliefd op een ‘burgermeisje’, Lauren. De broeierige Alistair wil zijn grote broer, een legendarisch clublid, overtreffen . The Riot Club bevat ook een representant van de verpauperde adel, Hugo, voor wie het een mystiek ritueel is, en de puissant rijke Griekse rederzoon Dimitri, die hongert naar sociale acceptatie. In zo’n dispuut fuseert oud en nieuwe geld in een alcoholwaas tot de nieuwe heersende klasse. De individualiteit valt in dronkenschap weg, in hun rokkostuums verschillen ze nauwelijks van een jeugdbende. Boys will be boys. Het resultaat is A Clockwork Orange verdwaald in Downton Abbey.

Dat is ook de beperking van The Riot Club: het is minder een diepsnijdende analyse van het Britse klassensysteem dan aapjes kijken naar corpsballen die met alles wegkomen. Eigenlijk net als de Britse tabloidpers, die elitaire excessen met verlekkerd moralisme aan de kaak stelt. Hoe verrot, infantiel en arrogant Scherfig de jongeheren ook neerzet, het bevestigt tegelijk hun glamour. Maar misschien klopt het: The Riot Club kan gewoon niet verliezen.