Staan de jihadi’s aan de poort?

Het eerste strafproces tegen een jihadganger naar Syrië en een vermeend ronselaarster leverde een veroordeling en een vrijspraak op. Een genuanceerd resultaat, waaraan nauwelijks conclusies zijn te verbinden. Bovendien: een nieuwe wet en een nieuw delict (ronselen). Rechter en OM moeten het gat tussen wet en werkelijkheid nog verkennen en die gedragingen juridisch onderscheiden die ronselen uitmaken. Voordat zoiets is uitgekristalliseerd, zijn nog wel wat zaken nodig, ook in hoger beroep.

Interessant is al wel het verschil in waardering tussen het gedrag van mannen en vrouwen dat de Haagse rechtbank maakte. Een strijder trouwen, hem naar het slagveld volgen en daar voor hem zorgen, is géén ronselen voor de gewapende strijd, aldus de rechter. Dat deze vorm van prefeministische dienstbaarheid in hoger beroep toch strafbaar wordt geoordeeld, zou best nog kunnen.

Intussen staat van het jihadtoerisme zelf de meest doelmatige aanpak evenmin vast. Tussen de repressie die minister Opstelten (Justitie, VVD) voorstaat en het op reclassering gerichte Deense model van opvang en begeleiding, is het juiste midden nog niet gevonden. Aan strafrecht kan in het algemeen maar een bescheiden effect worden toegekend, zeker nu de overheid deze jonge mensen behandelt als terroristen die in de zwaarste gevangenis van het land ingesloten worden. Isolatie, uitsluiting, continue observatie en dagelijks meerdere fouilleringen plegen er tot verharding, verbittering en verdere radicalisering te leiden. De vraag mag gesteld of deze aanpak het probleem niet zal verergeren.

In de toon van het kabinet is alvast geen greintje begrip te vinden voor deze daders, toch burgers van dit land. Opstelten verdedigde eind vorig maand in de Rotterdamse Cleveringa-lezing de „keiharde aanpak”. Jihadgangers ziet hij als aanslagplegers. Hun opvattingen ondermijnend voor de rechtsstaat. En hun bestaan een bedreiging van de veiligheid, de rechtsstaat en de internationale rechtsorde. De minister waarschuwde zelfs voor het misbruiken van onze vrijheden: van meningsuiting, godsdienstvrijheid, tolerantie voor andersdenkenden. „Compromisloos optreden” is gewenst. Hij vergeleek de situatie van nu zelfs met de meidagen van 1940 en acht het weer tijd „onze democratie weerbaarder te maken”. Opstelten wil „deze geradicaliseerde mannen en vrouwen tijdig stoppen”.

Het was een rede waar de term ‘strijdbaar’ te zwak voor is; de minister klonk alsof hij op het punt staat de noodtoestand uit te roepen. Of het inderdaad weer mei 1940 is, staat intussen nog te bezien. Misschien kan het ook een onsje minder met het vrees aanjagen? Zoals bekend is angst geen goede raadgever.