Nut van wetenschap ligt soms ver weg

Het is misschien niet volledig tot u doorgedrongen, maar vorige week zijn uw burgerlijke rechten uitgebreid. Vanaf volgend jaar klinkt uw stem naast die van bedrijfsleven en overheid bij het bepalen wat voor onderzoek er in Nederland wordt bedreven. Dat is een van de kernpunten in de Wetenschapsvisie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een aantrekkelijk idee omdat de relatie tussen burger en wetenschap complex is, vaak getekend door wederzijds wantrouwen en onbegrip. De tijd dat de bebrilde nerd in zijn labjas na jaren zijn ivoren toren uitrende om eureka te roepen, ligt ver achter ons (en heeft ook niet echt bestaan behalve in sciencefiction films).

Meer praktisch nut, meer maatschappelijke thema’s, dat moeten we toejuichen. We beginnen niet blanco, want wetenschap is onderdeel van het maatschappelijke debat, zij het te vaak op een controversiële (opslag van CO2) of incidentgebonden manier (vogelgriep). Het kan zeker beter. Maar we moeten wel goed nadenken hoe we deze lovenswaardige intentie ook echt tot een succes maken. Het voorstel is om in de verdeling van het geld (625 miljoen euro) door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek maatschappelijke instellingen een rol te geven.

Ik voorspel dat die het snel eens worden over de grote onderzoeksthema’s, want wie is er tegen onderzoek naar kanker, milieuvervuiling, goedkopere energie of veiliger verkeer? Dat is oude koek. Wetenschap wordt al decennia verkocht met beloftes van toepassingen die ons bestaan makkelijker, mooier en gezonder maken. Die verkooppraatjes gaan voorbij aan het feit dat toepassingen soms ver weg zijn of uit iets heel anders evolueren. Bovendien bestaan er talloze vakgebieden waarvan het maatschappelijke nut nauwelijks aan te tonen is of er met de haren bij gesleept moet worden (de tefalpan als nevenresultaat van de ruimtevaart). Wat te denken van een groot deel van de geesteswetenschappen? Een onderzoek aan pre-islamitische poëzie in het zesde eeuwse Bagdad kan moeilijk verkocht worden als input voor een crisis in Irak.

Het maatschappelijke debat moet daarom gaan over de methoden, over de keuzes die het verschil kunnen maken tussen een doorbraak en middelmatig onderzoek. Dat zal niet altijd lukken, want hoe leg je uit waarom je lang aan computermodellen bouwt die maar een zeer beperkt beeld van de werkelijkheid geven? Het in stand houden van de illusie dat wetenschap een lineaire productieketen is waaruit vanzelf een pakketje maatschappelijk nut rolt, doet afbreuk aan de aard van het ontstaan van kennis. Misschien dat het maatschappelijke debat vooral moet gaan over het besef van de kronkelwegen in de wetenschap en de passie voor het begrijpen van wat er achter de horizon ligt.

Er is nog een punt: wat is precies de stem van de burgers? Maatschappelijke organisaties zoals de Consumentenbond of Natuur&Milieu zijn zelf zaakwaarnemers; zij laten niet de stem van de burger klinken maar die van hun eigen polderbelangen. Het peilen van de meningen op internet levert een onbruikbaar gemiddelde van individuele opinies. Het gevaar bestaat dat het gezonde onderbuikgevoel dan leidt tot minder genetisch onderzoek bij mens of dier omdat een meerderheid dat eng vindt. Wetenschap floreert alleen bij ex ante vertrouwen gekoppeld aan ex post controle. Misschien moet het debat ook gaan over nieuwe vormen van financiering: grote bedragen naar excellente groepen, die zelf met dat geld weer anderen financieren. Kennis waar niemand op zit te wachten is onwenselijk, maar kennis waarop iedereen, of erger, de meerderheid zit te wachten ook. De kracht van wetenschapsbeleid zit in ruimte scheppen voor het onverwachte, het nooit eerder bedachte. Dat valt uit te leggen.