Mooi, maar met weeïge geur

De dove en blinde Marie is een echt wild kind. Ze verstopt zich het liefst in bomen, loopt op blote voeten en heeft haar vol klitten. Ten einde raad geven haar ouders haar mee aan zuster Marguerite, een van de nonnen van het Larnay Instituut in Poitiers. Met engelengeduld trotseert Marguerite tegenslag na tegenslag, tot er een ommekeer komt.

Hoewel gebaseerd op een waargebeurd verhaal uit het einde van de 19de eeuw, ontkomt Marie Heurtin niet aan het ingebakken verhaalpatroon van films over het socialisatieproces van wilde kinderen. Vanzelfsprekend transformeert Marie van brabbelend diertje tot keurig meisje dat kan communiceren via gebarentaal. Deze transformatie is bovendien wat al te keurig uitgewerkt. Zo leert Marie dat God overal is, een wat weeïge boodschap die de film de geur van een katholiek leerstuk geeft.

Wel mooi en ontroerend zijn de scènes waarin Marie mag voelen en ruiken aan Marguerite, en die waarin haar ouders op bezoek komen. Zij zijn ontdaan door de enorme vooruitgang van hun dochter, die hun leert hoe je ‘bonjour’ moet zeggen in gebarentaal. Regisseur Améris concentreert zich in zijn mise-en-scène veelal op handen en gezicht die hij met vloeiende camerabewegingen verbindt. Via de tastzin leert Marie wat taal en communicatie is, we zien op haar gezicht wat een enorm effect dat op haar heeft.