Koons speelt virtuoos met kunst & kitsch

Op zijn grote overzicht in Centre Pompidou in Parijs toont kunstenaar Jeff Koons zich de spreekbuis van de Amerikaanse middenklasse.

Jeff Koons, Hulk (Organ), 2004/2014 Brons, editie 2/3 237,3×123,4×70,8 cm Foto Tom Powel Imaging/ Gagosian Gallery/ Jeff Koons

Op de tentoonstelling van Jeff Koons in het Centre Pompidou staat Balloon Dog, een ruim drie meter hoge sculptuur in roestvrij staal die de vorm heeft van een poedel gemaakt van opgeblazen ballonnen. Vorig jaar is een Balloon Dog (1994-2000) door een particulier op de veiling verkocht voor 52 miljoen dollar. De glimmend gepolijste, magentakleurige sculptuur is geproduceerd in een oplage van vijf. Zo’n exorbitant bedrag, en dat voor een werk in oplage?

Ja, want om uit de kosten te komen vervaardigt Koons (1955) altijd meer exemplaren van een werk. Hij verkoopt ze, via galeries, voor enkele miljoenen aan verzamelaars nog voordat ze zijn gemaakt, aan de hand van modellen van piepschuim. Dit geld investeert hij in een productie die inefficiënt is en zeer tijdrovend. De kunstenaar runt in New York een atelier waar momenteel ongeveer 120 assistenten werken. Tientallen van hen zijn bezig met het maken van schilderijen, tientallen met de sculpturen, zoals het maken van mallen en het polijsten van het staal, weer anderen werken met 3D-printers en andere digitale technieken. Het duurt steevast langer dan verwacht en de kopers moeten zo lang wachten dat ze, financieel bezien, hun geld wellicht beter in vastgoed hadden kunnen beleggen.

Dit ‘businessmodel’ is riskant, zo niet catastrofaal, stelt Scott Rothkopf, curator van het Whitney Museum in New York, in de catalogus bij Koons’ overzichtstentoonstelling. De productiekosten vallen vrijwel altijd hoger uit dan de opbrengsten uit de preverkoop. Rothkopf citeert galeriehouder Ileana Sonnabend: „Jeff begrijpt helemaal niets van geld.”

Begin jaren tachtig, na de series Pre-New en The New, sculpturen van huishoudelijke apparaten en stofzuigers die als de hoogtepunten van zijn oeuvre worden beschouwd, zag Koons zich, platzak, gedwongen om intrek te nemen bij zijn ouders in Florida. In 1993 gebeurde het opnieuw: de productie van de reeks Celebration leidde tot bankroet en moest worden stilgezet. Koons ontsloeg vrijwel al zijn assistenten.

In Parijs worden werken uit alle series chronologisch getoond, van de Inflatables uit de jaren zeventig, grote opblaasbare speelgoeddieren en bloemen op spiegelende sokkels, tot en met de nog niet voltooide serie Gazing Ball, met levensgrote, witte gipsen afgietsels van antieke sculpturen. De gipsen sculpturen dragen allemaal een glanzende blauwe glazen bal, zoals ze in tuincentra te koop zijn als tuindecoratie.

De expositie toont Koons als de spreekbuis van de Amerikaanse middenklasse die hij graag wil zijn. Hij is de belichaming van de Amerikaanse droom van de selfmade man. Zijn eerste lessen in ‘esthetica’, zegt Koons, kreeg hij van zijn vader, een etaleur met een meubelwinkel. Zijn vader wist in één dag een moderne slaapkamer in zwart en rood om te toveren tot een woonkamer uit de Franse provincie. Ook de zoon is een begenadigd etaleur en in die zin is de tentoonstelling in Parijs, die voldoet aan een eis van volledigheid, een lichte teleurstelling. Eerdere thematische tentoonstellingen, zoals van de Celebration- en Easyfun-series in Kunsthaus Bregenz en in de Neue Nationalgalerie in Berlijn, waren qua inrichting geslaagder.

De sleutel van de kunst, zegt Koons, is leren hoe te kijken. Daarin heeft hij gelijk en wat kijken betreft is er van het werk van Koons veel te leren – juist omdat dit op het eerste gezicht niet zo lijkt. Een kopie van een antieke sculptuur, drie zwevende ballen in een aquarium (Three Ball Total Equilibrium Tank, 1985), wat is daar bijzonder aan? Alles. Ballen zweven niet, maar drijven, en na lang zoeken en experimenteren slaagde Koons er met een bepaalde afgewogen zoutoplossing in om de ballen midden in een aquarium te laten zweven. De knaloranje basketballen met hun zwart-witte opdruk hangen stil en sereen naast elkaar, een ode aan de sportindustrie en ook aan het evenwicht dat we allemaal, volgens Koons, moeten zien te vinden.

Koons laat geen middel onbenut om de kijker te verleiden en zover te krijgen dat hij zich laat overtuigen. Pluto and Proserpina (2010-13), een afgietsel van een klassieke sculptuur in goudgeel, gepolijst roestvrij staal, is duizelingwekkend. De verblindende spiegelingen maken het onmogelijk greep te krijgen op de welvingen en draaiingen. Het virtuoze spel met kitsch en ‘high art’ is overdonderend. Niets gaat Koons te ver om tot een volmaakte uitvoering van het werk te komen, zelfs de nooit zichtbare onderkant van het beeld schijnt volledig te zijn afgewerkt.

Uit „respect voor de beschouwer” moet ieder werk aan de hoogste graad van perfectie voldoen. Koons is op zoek naar het „zuivere oppervlak”, zonder enige smet of onvolkomenheid, opdat de beschouwer het beeld kan „vertrouwen” en zich kan verliezen in „de abstractie van een oneindige tijd”. Deze tijdloosheid wordt gecompenseerd door bloeiende planten, in het geval van Pluto en Proserpina witte begonia’s, die vergankelijkheid en kwetsbaarheid belichamen.

Hoewel Koons alle beschikbare digitale technologie inzet, is zijn werk toch in de eerste plaats ambachtelijk. De plooien in de ballonnen van het opblaaskonijn zijn tot in het kleinste detail weergegeven in staal. Het meest extreme en absurde voorbeeld is misschien Play-Doh, onderdeel van de Celebration-serie en pas dit jaar voltooid en jammer genoeg niet in Parijs te zien. Het is een drie meter hoge afbeelding in aluminium van een slordige hoop modelleerpasta, in acht felle kleuren. Alle craquelures en handafdrukken zijn tot op de millimeter weergegeven. Koons’ toewijding aan het maakproces is maniakaal. Zijn studio produceert beelden in ijzer, brons, aluminium, glas, porselein, plastic en gips en ook van gebeeldhouwd marmer en hout. Hij beoefent talloze schildertechnieken. Scannen, afgieten, polijsten, de fabricage van vitrines van acryl en plexiglas tot en met het kweken van planten – technieken die hij zelf niet beheerst maar waarvan hij precies weet wat hij ermee wil.

„Vertrouwen” en „acceptatie” zijn woorden die in ieder interview terugkomen. Koons stelt zich ten doel ons te bevrijden van ons „culturele” schuldgevoel en van de schaamte die pornografie, goedkope kitschobjecten en rijkdom bij ons opwekken. Wanneer we onszelf en de wereld in haar totaliteit accepteren en niet kritisch zijn en niet oordelen, komt alles goed, is zijn overtuiging. Ook de dolgedraaide kunstmarkt is iets om te accepteren, het laat zien dat kunst aan „een diepe behoefte bij mensen voldoet”. Op de vraag of dit niet wat cynisch is, stelt Koons de wedervraag: „Hoe kan je het zó verkeerd begrijpen?”

Koons is zelf een verwoed verzamelaar van oude en van hedendaagse kunst. Ook zit zijn werk vol met verwijzingen naar de kunstgeschiedenis, van de steentijd en de Barok tot het heden. Marcel Duchamp, Robert Smithson, Donald Judd, Andy Warhol, Martin Kippenberger, Christopher Wool, van de modernistische avant-garde tot Fluxus, het is alles een belangrijke inspiratiebron. Maar de avant-garde, en zeker Fluxus, ging toch over een kritisch bewustzijn en over maatschappijkritiek? Inderdaad, is het antwoord, en hij, Koons, levert kritiek op het idee van kritiek, hij bekritiseert de ‘criticality’. Het is heilzamer om niet te oordelen, om aan schuld en schaamte voorbij te geraken.

En zo heeft Koons met een mengeling van gespeelde naïviteit, spiritualiteit en trivialiteit een overtuigende mythe van het kunstenaarschap gecreëerd. Hij is in alles een kind van zijn tijd en houdt onze maatschappij een spiegel voor. Daarmee is zijn werk niet alleen verleidelijk, maar ook berekenend en kil, het heeft een koude weerglans. Maar de mythe werkt.