‘Knapenkoor in de kerk hoort bij Kerst’

Countertenor Maarten Engeltjes zong zelf als jongetje talloze kerstconcerten. Nu begint hij in A’dam een Carol-traditie.

Jongenssopranen Olivier (11),Simon (12) en countertenor Maarten Engeltjes in de Obrechtkerk A’dam Foto Bram Budel

Engelachtig zien ze eruit, de sopranen uit de jongenskoren van Kampen en Roden in hun felrode toga’s. Als ze Once in Royal David’s City zingen, al is het maar om de akoestiek te proberen, transformeert de kerk meteen van koud gebouw in gewijde ruimte. De moppen die ze tappen zijn minder heilig, maar dirigent Rintje te Wies moet er toch om lachen. Geconcentreerd zijn moet straks al, bij het zingen. „We maken muziek met kinderen op een volwassen manier”, zegt te Wies. „Als je een kind serieus neemt, is hij serieus terug. De jongens zijn zelf bloedfanatiek.”

Sopraan Simon (12): „Dat is wel waar. Die solo zingen, dat wil je allemaal.”

Het Kampen Boys Choir en Roder Jongenskoor zijn geënt op de anglicaanse traditie. Er is een strenge hiërarchie, er wordt veel gerepeteerd – zo’n drie keer per week –en er zijn regelmatig concertreizen naar Groot-Brittannië om aldaar met gastdirigenten te werken en nog beter te worden.

Ook Maarten Engeltjes, nu internationaal succesvol countertenor, begon op zijn vierde met zingen, in het Stadsknapenkoor Elburg. „Zonder die vorming was ik geen zanger geworden. Tot mijn zestiende heb ik eindeloos concerten gegeven, ook rond Kerst. Die sfeer van jongensstemmen in een kerk – daar kan niks tegenop.”

Omdat Engeltjes zo’n „echte kerstbeleving” miste in zijn huidige woonplaats Amsterdam, organiseert hij nu zelf A Festival of Lessons and Carols, een mix van Christmas carols en schriftlezingen volgens 19de-eeuwse Britse traditie, waarin hij zelf ook zingt. Alleen als de concerten vollopen, zal een winstje gemaakt worden. Het regelwerk – limonade voor de jongens na afloop, huur van de kerk, ontwerp van de affiches – is haast ondoenlijk naast zijn vele eigen concerten elders in Europa deze maand.

„Dus waarom dan tóch?” Engeltjes grinnikt. „Wat een vraag. Waarom raakt het je als die jongens zingen? Waarom gaan mensen naar de Matthäus? Het heeft te maken met universele waarden: saamhorigheid, liefde, hoop. Juist nu muziek steeds behapbaarder gepresenteerd moet worden, moet je tradities die vanzelf prachtig en toegankelijk zijn, in ere te houden. Op de authentieke manier, met Engelse spreker, en dus niet met een BN’er als schriftlezer. Een Matthäus met saxofoons, daar houd ik ook niet van. Sommige dingen zijn goed zoals ze al zijn.”

Voor de jongenssopranen Simon en Olivier (11) is koorzang volgens de oude traditie een actuele vanzelfsprekendheid. Simon: „Ik lag al in de wieg te zingen, zegt mijn moeder. Toen ik 7 was, heeft ze me meegenomen naar het Kampen Boys Choir voor een proefles. Eerst twijfelde ik of ik het leuk vond. Het is wel streng en zo. Maar ik hoorde steeds de oudere jongens zingen. En wat zij konden, wilde ik ook leren.”

Olivier: „We oefenen veel, maar voetbal en piano gaan er prima naast. Er zijn ook veel gelovige jongens bij, voor wie dat ook een rol speelt.”

Simon: „In Kampen zéker. Die mogen niet zingen op zondag. Voor mij geldt dat niet. Al geloof ik wel.”

Olivier: „Tsss, met je vieze moppen.”

Op school vinden ze het normaal dat ze zoveel uren steken in klassieke zang, zeggen beiden. Ze verheugen zich al op de kerstconcerten. „In the Bleak Midwinter vind ik prachtig”, zegt Olivier. „Maar O Come All Ye Faithful is sááí. Behalve als je de solo hebt die daar ‘Gloria’ bovenuit mag zingen!”