In het wild is de hond beter af, maar niet langer onze vriend

In ‘White God’ nemen losgeslagen ‘underdogs’ wraak op ons. We hebben liever maakbare honden.

De Hongaarse regisseur Kornél Mundruczó bezweert dat White God niet is geïnspireerd door de controversiële cultfilm White Dog uit 1982. Maar behalve de vrijwel identieke titel zijn er wel degelijk inhoudelijke overeenkomsten. In deze als genrefilms verpakte maatschappijkritieken draait het om racisme en machtsongelijkheid, zij het op verschillende wijze. Omdat zijn hond niet raszuiver is, zet zijn baasje hem op straat, waarna in White God de wilde honden wraak nemen op een samenleving van haves en have nots. Het doet denken aan de hondsdolle Sint Bernhard Cujo, die zich eveneens uit rancune tegen de mensheid keert in de verfilming van Stephen Kings boek. De wraak van de underdogs.

Deels geïnspireerd door verhalen over de Ku Klux Klan, vertelt Samuel Fullers White Dog het verhaal van een smetteloos witte Duitse herder die getraind is om zwarten te doden. Een gedreven, eigenzinnige zwarte hondentrainer ziet het als zijn missie de hond weer te deconditioneren. Of dit lukt, blijft de vraag. Fuller suggereert dat haat tegen anderen altijd zal blijven bestaan, een pessimisme dat hij deelt met Mundruczó. De Amerikaanse studio durfde het indertijd vanwege de brisante inhoud niet aan White Dog in Amerika uit te brengen; in Europa werd Fullers bijtende film juichend ontvangen. Een andere voorganger van White God is Amores Perros dat brute hondengevechten gebruikt om iets te zeggen over de menselijke natuur. Je oogst wat je zaait: valse honden spiegelen zich aan hun wrede bazen.

De hellehond uit de film gaat op zijn minst terug naar de Griekse mythologie, waar de driekoppige hellehond Cerberus de onderwereld bewaakte: zijn vervaarlijke voorkomen met slangenstaart en vurige ogen houdt de doden op hun plek en de levenden op afstand. Tegenover hem staat Odysseus’ trouwe hondje Argos. Als zijn baasje na jarenlange omzwervingen terugkeert, is de blinde, stokoude viervoeter de enige die hem direct herkent.

De kwispelende nazaten van Argos doen het altijd goed in films: acteur Marcello Mastroianni waarschuwde nooit met kinderen of honden te spelen omdat ze elke scène stelen. Hollywood weet dat: de lijst knuffelbare filmhonden is eindeloos, van Air Bud tot Toto uit The Wizard of Oz. Wat iedereen instinctief aanvoelt, werd onlangs ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek: na een populaire film met een hond in de hoofdrol wordt het betreffende hondenras ook populair. Zo waren de collies niet aan te slepen na Lassie Come Home (1943): de Amerikaanse Kennel Club registreerde in twee jaar een toename van 40 procent. In horror zijn honden daarentegen het zinnebeeld van irrationele agressie. Daarvoor zijn robuuste hondentypes het meest geschikt, zoals de nerveuze dobermanns met hun spitse oren in The Omen of de Duitse herders in The Hills Have Eyes – waar de wilde Beast overleeft in een wereld vol zombies, maar zijn maatje Beauty aan zijn eigen domesticatie ten onder gaat.

Want wat wint de hond erbij onze trouwe kameraad te zijn? In het meermalen verfilmde Call of the Wild van Jack London hervindt een huisdier zijn onderdrukte instinct als hij in de woeste natuur van Yukon rondrent, waarna hij voor altijd de menselijke beschaving de rug toekeert. In Londons White Fang gaat het omgekeerd: een wolfshond verliest zijn wildheid als hij wordt gedomesticeerd.

Deze twee verfilmingen tonen een gespletenheid over dieren: in het wild zijn ze misschien beter af, maar losgeslagen honden zijn niet langer onze vriend. Wij zien hem dus liever tam. Want dan zijn het net kinderen: we kunnen er Lassies van maken, hellehonden of Ku Klux Klan-honden.