Horror met djins, geen demonen

Turkse filmmakers bedienen de achterban van president Erdogan met horror. Gaan islam en entertainment samen?

Een scène uit de Turkse horrorfilm Dabbe 5

Westerse horror maakt Turken niet bang, zegt regisseur Hasan Karacadag. In zijn films spelen djins de hoofdrol. Door de aanwezigheid van deze intelligente en krachtige, voor de mens onzichtbare wezens kan het onverklaarbare verklaard worden. In de Koran zijn djins een levensvorm met een eigen, door Allah geschonken bewustzijn.

In Karacadags laatste film Dabbe 5 wordt een jonge vrouw geteisterd door djins. Uiteindelijk blijkt dat te komen doordat zij haar leven dankt aan een ritueel waarbij haar rijke ouders de baby van een arme vrouw hebben gebruikt om een ziekte op over te dragen: in het Anatolisch bijgeloof is zoiets mogelijk. Het soort plattelandsvertelling dat vroeger de bioscoop niet haalde, maar nu een nieuw genre voedt. Sinds tien jaar maken Turkse regisseurs horrorfilms gericht op islamitisch publiek. Traditionele horrorfilms zoals The Exorcist en Rosemary’s Baby leunen zwaar op christelijke symboliek en verhalen. In stijl lijken de Turkse films daar op, maar de inhoud wijkt af.

Op dit moment draait Dabbe 5 in de Turkse bioscopen; de komst van de Dabbe is in de Koran een van de voortekenen van de Apocalyps. Dabbe 1, een lowbudgetfilm in 2006, was een onverwacht succes met meer dan een half miljoen bezoekers. Sindsdien geldt Hasan Karacadag als dé Turks-islamitische horrorspecialist. Zijn films draaien net als andere Turkse blockbusters ook in Rotterdam, waar veel Turken wonen.

Majestic, in een smalle donkere zijstraat van Istiklal, de Kalverstraat van Istanbul, is een van de laatste onafhankelijke filmhuizen in de miljoenenstad. De bioscoop is lokaal mede beroemd om de transseksueel die er in koffiedrab de toekomst leest en de eigenaar die zelf gastheer is. Mutlu Yetkin, een Turkse kenner die in de filmindustrie werkt, noemt de snelle groei van islamitische horror „goudkoorts”. „Iedereen springt op het thema en probeert een ‘djin-film’ te draaien”, zegt hij in de foyer van Majestic. Dabbe 5 trok tot nu toe in Turkije 836.000 bezoekers. „Zeker voor een vijfde film in een serie is dat veel.” Andere vertegenwoordigers in het genre zijn Biray Dalkiran en Alper Mesçi. Dalkirans film Araf (‘Vagevuur’, 2006) gaat over een vrouw die een abortus ondergaat nadat ze zwanger is geraakt van een getrouwde man. Jaren later wordt ze bezocht door de geest van de baby: een weinig subtiel pleidooi tegen abortus van een conservatieve filmmaker.

Anatolische midddenklasse

In Turkije, dat een grote eigen filmindustrie heeft en dit jaar honderd jaar Turkse cinema viert, is altijd wel horror van eigen bodem te zien. In Majestic draait dit najaar behalve Dabbe 5 ook Siccîn: Büyü Haramdir (‘Magie is haram’), die gebaseerd zou zijn op een waargebeurde liefdestragedie in de conservatieve wijk Üsküdar in Istanbul. De opkomst van het genre valt samen met forse economische groei in Turkije, de opkomst van een Anatolische middenklasse en het aan de macht komen van de islamitische AK Partij van premier, nu president, Erdogan. Tegelijk nam het aantal grote overdekte winkelcentra met bioscopen in Turkije sterk toe, waardoor het aantal bioscoopschermen verdrievoudigde.

Het publiek is het tegendeel van filmhuisbezoekers: mensen met wortels in het binnenland van Turkije. Trotse Turken uit de nieuwe middenklasse die de geneugten van het leven ontdekken. „Over de overlevering van djin-verhalen werd vroeger altijd geringschattend gedaan”, vertelt Yetkin. En Karacadag bevestigt dat uit eigen ervaring. Voor zijn onderzoek probeert hij het vertrouwen te winnen van dorpelingen in Anatolië. Die laten niet meteen het achterste van hun tong zien, vertelt hij in de tuin van de filmmaatschappij in het centrum van Istanbul. „Je moet een goede luisteraar zijn. Mensen moeten niet het gevoel hebben dat je op ze neerkijkt.” Als ze eenmaal beginnen te praten komt veel naar boven. Hij haalt het voorbeeld aan van een dorpsonderwijzer die klaagde over aanvallen door djins. Er zijn Turken die geloven dat de Israëlische geheime dienst djins rekruteert.

Eigen taboes

Islamitische horror heeft zijn eigen taboes. Mede daardoor schrokken regisseurs er in het verleden voor terug, denkt Karacadag. „Je kunt het lichaam van Jezus Christus laten zien, maar niet dat van Mohammed, en ook niet zijn stem gebruiken. Maar de folklore van de islam is erg rijk, zie de sprookjes van 1001 nacht.”

Ongeveer een vijfde van zijn publiek bestaat uit diep religieuze gezinnen, schat Karacadag, die vroeger geen voet in een bioscoop zouden zetten. Ze zijn niet altijd even gecharmeerd van wat ze zien. „Vanuit de islamitische wereld krijg ik de vraag: waarom zet je daar geen hodja neer die uit de Koran leest, waardoor de djin verdwijnt?” Zoals priesters dat doen in westerse horror. In horrorfilms in de christelijke traditie wordt iets wat door het huis waart vaak weergegeven als een dier, bijvoorbeeld een hondsdolle hond, zegt Karacadag. „In onze horrorfilms zou je dan eerder een heel intelligente en kalme macht proberen te laten zien.”

Over djins praat Karacadag met gemak een uur vol. Een uitgesproken ja of nee op de vraag of ze bestaan blijft hij vaardig ontwijken. In zijn films gebruikt hij de koranuitleg en de Babylonische overlevering. Daarop krijgt hij kritiek van orthodoxe moslims, die liever zien dat hij zich tot de Koran beperkt. En een vraag waarover imams en hij het nooit eens worden, is of entertainment en islam samengaan. „Er hangt een dikke zwarte wolk boven de islam, door IS en de Talibaan, IS gebruikt media voor zwarte propaganda. Volgens mij moeten we entertainment gebruiken om de boodschap van de islam over het voetlicht te krijgen. Zij zijn het daar niet mee eens.

„Je kunt niet volstaan met tegen een christen zeggen ‘jij kunt het paradijs niet in’. Laat zien waar het om gaat”, aldus Karacadag. Ziet hij horror als een manier om de kloof tussen oost en west, islam en christendom te overbruggen? „Ja, waarom niet. Toenadering draait om het delen van verhalen.”