Hoe hou je ze in dienst?

Arbeidsgehandicapten met een uitkering moeten vanaf 1 januari aan het werk. Dat is soms wennen. Op een cursus kun je leren hoe je met deze collega’s omgaat.

Op Martine Klasens’ eerste werkdag als interne relatiemanager bij pensioenuitvoerder PGGM ging collega Monique Rienties (45) naast haar staan. „Wat kun jij vanaf hier allemaal zien?” vroeg ze Klasens. En ook: „Kun je zelf met de roltrap, of moet ik helpen?” Rienties probeerde zich zo goed mogelijk in te leven in haar nieuwe collega.

Klasens (31) heeft een visuele beperking en ziet maar 35 procent. Ze is een ‘Wajonger’, iemand die een uitkering krijgt vanwege een chronische ziekte of handicap, opgelopen vóór het achttiende levensjaar. Rienties is binnen het bedrijf Klasens’ aanspreekpunt. „Dat geeft zelfvertrouwen”, ervaart Klasens. „Ik voel me bij een tegenslag niet alleen.”

Iedere Wajonger krijgt een Harrie

Binnenkort werkt er bij jou misschien ook een Wajonger. Want vanaf 1 januari geldt de Participatiewet, die onder meer bepaalt dat arbeidsgehandicapten met een Wajong-uitkering aan het werk moeten. Alleen mensen die voor 100 procent zijn afgekeurd mogen hun uitkering behouden. Staatssecretaris Jetta Klijnsma heeft allerlei afspraken gemaakt met bedrijven om ervoor te zorgen dat ze arbeidsgehandicapten in dienst nemen.

Maar, waarschuwt Erik Rouw van CNV Jongeren, Wajongers aannemen is één ding, „ze in dienst houden is de échte uitdaging”. Daarom organiseert het UWV cursussen ‘Hoe om te gaan met een Wajong-collega’.

In een vergaderzaaltje in Hoofddorp. buigt een tiental medewerkers van het UWV zich over een lastige casus. ‘Je collega is invalide en heeft thuiszorg nodig om zich te wassen. Die komt pas om negen uur, maar dan is hij allang naar zijn werk. Hij wast zich dus niet. Zelf ziet hij het probleem niet, maar alle collega’s hebben last van de ontzettende zweetlucht. Hoe los je dit op?’ De medewerkers zijn op cursus bij vakbond CNV Jongeren, waar ze leren wat er in de praktijk komt kijken bij het begeleiden van een collega met een handicap..

Want directe collega’s zijn van grote invloed op het slagen van een werknemer met een chronische ziekte of handicap, toont onderzoek van jongerenbond en kenniscentrum Vilans aan. Omdat veel bedrijven geen idee hebben hoe ze met een arbeidsgehandicapte collega moeten omgaan, pleit CNV Jongeren ervoor dat iedere Wajonger een ‘Harrie’ krijgt toegewezen. ‘Harrie’ staat voor hulpvaardig, alert, rustig, realistisch, instruerend en eerlijk – eigenschappen die een medewerker in huis zou moeten hebben om een Wajong-collega op de werkvloer te kunnen begeleiden. ‘Harrie’ houdt in de gaten of het werk wel geschikt is, geeft complimenten, maar ook kritiek en is bereikbaar voor vragen en problemen.

Soms overschatten ze zichzelf

Op een tafel in het vergaderzaaltje in Hoofddorp liggen stapeltjes papier, A4’tjes met ‘epilepsie’, ‘schizofrenie’, ‘autisme’, ‘doofheid’. CNV’er Erik Rouw: „De juiste aanpak hangt natuurlijk af van de specifieke Wajonger. Vooral bij mensen met een psychische beperking is het in het begin vaak onduidelijk wat ze aankunnen. Sommigen overschatten zichzelf, anderen zijn inhoudelijk heel sterk, maar kunnen absoluut niet met deadlines of collega’s omgaan. Het is aan de ‘Harrie’ om die problemen te signaleren en te bespreken.”

Bij mensen met een verstandelijke beperking is het vooral belangrijk dat de ‘Harrie’ structuur en helderheid schept. „Duidelijke instructies geven ook wanneer het vanzelfsprekend lijkt”, verduidelijkt Rouw. „Beroemd is het voorbeeld van een jongen die te horen kreeg dat hij om 12.00 uur pauze had, en pas vier uur later terugkwam. Men was vergeten te zeggen hoelang een pauze duurt. Juist de ongeschreven regels moet je uitleggen.”

En, heel belangrijk: „Wij zijn gewend dat collega’s in hun ontwikkeling een stijgende lijn volgen. Maar voorj sommige doelgroepen is het al heel wat wanneer iemand iedere dag komt opdagen en zijn werk naar behoren doet. Dat moet je erkennen.”

Monique Rienties regelde als begeleider van Martine Klasens in het begin vooral de praktische zaken bij pensioenfonds PGGM. Zo liet ze een speciaal softwareprogramma installeren dat het beeld vergroot en de woorden uitspreekt. Maar ze hield zich niet alleen met Klasens’ handicap bezig. „Ik heb met Martine vooral over haar ambities, haar opleiding en werkervaring gepraat. Het moet voor PGGM, voor het team én voor haarzelf nuttig zijn dat ze hier werkt.” Op één van Klasens’ eerste werkdagen organiseerde Rienties een voorstelrondje met directe collega’s. „In het begin merkte ik dat Martine geneigd was veel op te lossen via de mail.”

Ondertussen bespreekt Rouw met zijn cursisten in Hoofddorp een veel voorkomend dilemma: moet de hele afdeling op de hoogte zijn van de beperkingen van de Wajonger? „Ja, tuurlijk”, klinkt het. „Collega’s moeten weten waarmee ze rekening moeten houden.”

Maar zo simpel ligt het niet. „Wat nu als de persoon in kwestie zelf meent dat hij niks mankeert? Of als hij zich schaamt?” vraagt Rouw. „Sowieso moet je goed bedenken hoe je iemand introduceert. Je kunt moeilijk aankomen met: ‘Dit is Henk, hij is autist’. Het kan ook subtieler. Ik ken een Wajonger die per se niet wilde vertellen wat ze had. Maar soms zat ze ineens te huilen en wisten collega’s niet wat ze daarmee moesten. Met haar Harrie heeft ze toen geanalyseerd welke problemen ze ondervond op de werkvloer en een brief geschreven aan haar collega’s.”

Kan de Harrie het wel aan?

Het begint de cursisten te duizelen. „Volgens mij gaan hier heel wat uren in zitten”, vreest Tonny van de Maat. „Loop je niet het risico dat het Harrie boven het hoofd groeit?” Rouw: „Je moet ook niet doorschieten in de begeleiding. Richt je alleen op de zaken die met werk te maken hebben. Ga vooral niet de hulpverlener uithangen, daarvoor ben je niet gecertificeerd.” Maar inderdaad, erkent hij: „Met een uurtje per week kom je er waarschijnlijk niet.”

Ook Monique Rienties geeft toe dat het haar extra tijd kost. „Je moet het wel leuk vinden, want het komt bovenop je normale werkzaamheden.” Toch wil ze benadrukken dat het qua tijd echt meevalt wanneer je er eenmaal mee bezig bent. „Ik weet dat veel vooral kennisintensieve bedrijven denken: leuk die Wajongers, maar niet bij ons. Nou, het kan dus wél.”