Column

Het groepsportret, een Hollandse gewoonte

Vanwege hun forse afmetingen waren ze zelden te zien, topstukken als De Nachtwacht of De Staalmeesters daargelaten. Maar nu hangt een groot aantal Hollandse groepsportretten uit de zeventiende eeuw, afkomstig uit het Rijksmuseum en het Amsterdam Museum, op langdurige basis in de Hermitage Amsterdam. Afgebeeld: burgers, trots op zichzelf, verenigd in een schutterij, of als bestuurders van een filantropische instelling. Het is hier niet de plaats voor een recensie, maar het hoge woord moet er uit: Hollanders van de Gouden Eeuw is een geweldige tentoonstelling – in jaren niet zoiets leuks gezien in een museum.

De gewoonte je als gezelschap op doek te laten vereeuwigen – als lid van een vrijwillige burgerwacht of regent van een instelling voor wezen, armen of ouden van dagen – schijnt een typisch Hollandse te zijn, leer ik uit de catalogus. In het bijzonder in Amsterdam zijn veel van zulke stukken bewaard gebleven.

Overigens dateert het groepsportret als genre al uit de zestiende eeuw, blijkt in de Hermitage. Deze portretten van de stedelijke notabelen van vóór 1578, het jaar waarin de katholieke (en Spaans-gezinde) stedelijke elite de hegemonie moest overgeven aan calvinisten, zijn zo mogelijk nog intrigerender dan de stukken uit de zeventiende eeuw. Ze tonen een wereld waarmee we als hedendaagse Nederlanders het contact lijken te hebben verloren – zelfs de naam der afgebeelde leden van een schutterij is vaak verloren gegaan.

De gezichten uit de Gouden Eeuw spreken daarentegen sterk als land- en tijdgenoten tot ons. De tentoonstelling en de catalogus spelen daar ook uitvoerig op in. Terwijl in gans Europa vorsten de dienst uitmaakten, zien we hier burgers aan de macht: zelfbewust, autonoom, weloverwogen, tolerant. En collegiaal vooral – elk lid der schutterij of regentencollege komt duidelijk uit de verf. Als er al eentje vooraan zit, of in uitdossing de overige leden de baas is, dan nog is het onderscheid subtiel: hij is slechts primus inter pares.

De vraag is natuurlijk of er nog iets over is van die collegiale principes in het hedendaagse Nederland. Nog altijd is dit natuurlijk een land van clubjes en verenigingen van allerlei aard, waarvan de bestuurders onbezoldigd een humanitair, artistiek of gezelligheidsdoel nastreven, en waarvan sommige zelfs nog groepsportretten laten vervaardigen, zij het op foto. Deze neiging tot maatschappelijke groepsvorming en coöptatie binnen het gezelschap heeft vele stormen doorstaan – die van de overgang van handels- naar industrieel kapitalisme in de negentiende eeuw bijvoorbeeld. Ook in het Amsterdam van 1900 wemelde het van de filantropische verenigingen en andere clubs ter verheffing van de mens. Maar zal dat ook zo eenvoudig zijn in de ontwikkeling van het kapitalisme van de eenentwintigste eeuw, waarin de beschikking over de economie en de maatschappelijke goederen hoe langer hoe meer toevalt aan onpersoonlijke, geïnternationaliseerde mechanismen en instituten? Als we niet oppassen wordt de zelfverzekerdheid die van onze voorvaderen op deze schilderijen afstraalt, niets meer dan een bron van nostalgie.