Die cijfers zeggen nog niets over het echte politiewerk

Wie iets zinnigs over politiewerk wil zeggen moet zich nieuwsgierig richten op de praktijk, niet op de cijfers. Want door cijferdoelen worden noodzakelijke diensten opgeheven in plaats van uitgebreid omdat ze targets niet halen, vindt Jan Nap.

illustratie Angel Boligan

Het is jammer dat de Tweede Kamer de kans om een fundamenteler gesprek over de nationale politie te voeren niet heeft benut. Wat mogen en kunnen we eigenlijk van de nationale politie verwachten, wat zijn zinvolle doelen? Welk idee over het (kunnen) bevorderen van veiligheid schraagt die doelen? Op basis waarvan kom je als burger, gezagsdrager tot de conclusie of de politie – jouw politie? – het goed doet?

Mijn idee is dat de huidige cijfermatige doelen te simplistisch zijn en de kans op goed werk eerder verkleinen dan vergroten. Ter illustratie een voorbeeld uit een onlangs verschenen rapport van Tops en Van der Torre over ondermijnende criminaliteit.

Een team werkt aan een complexe zaak waar drugs, andere criminaliteit en ernstige overlast verweven zijn. Hoewel erkend wordt dat het team moet worden uitgebreid, wordt het ingekrompen omdat het district de cijfers voor bestrijding van high impact crimes niet haalt. Het laat zien dat cijfersturing perverse effecten kan hebben. Door eenvoudig telbare doelen op te leggen, lijk je aan sturingskracht te winnen, maar de weerbarstige praktijk raakt uit beeld.

Ook de Inspectie Politie wijst op dat gevaar. In zijn recente lezing voor de Raad van Openbaar Bestuur zegt Wim van de Donk dat kwaliteitsontwikkeling gemakkelijk verwordt tot kwantiteitsontwikkeling. Dat is niet de bedoeling; meestal ook niet van degene die die doelen stelt.

Er moeten doelen komen waar politiemensen voor warmlopen en, veel belangrijker, doelen waar de burger zich iets bij kan voorstellen. Dat de politie ervoor moet zorgen dat er in 2015 niet meer dan 84.855 geregistreerde inbraken mogen zijn met een oplossingspercentage van 9,9 procent , leidt denk ik niet tot instemmend applaus bij ‘de mensen in het land’. Maar voordat we bij doelen komen, moeten we over de bedoeling spreken. Wat is zinvol politiewerk?

Als het goed is, draagt de politie bij aan een zo geweldloos mogelijke ordening, maar ze kan die niet zelf dragen. Loop door een stad en vraag je af wie of wat hier ordent. Zou dat echt de politie zijn? Natuurlijk niet. De moderne samenleving laat zich niet vanuit één punt ordenen, maar ordent zichzelf al improviserend. De politie blaast haar partijtje mee. De politie wil, zoals ze zelf zegt, als sterke arm begrenzen wie asociaal of crimineel te veel ruimte inneemt, beschermen wie in de verdrukking komt en de mensen van goede wil, die het geweldloos samenleven met verschillen versterken, bekrachtigen. Om dat te kunnen, moeten politiemensen de situatie kunnen lezen, weten wat er nodig is en het handelen daarop afstemmen. Presentie gaat aan interventie vooraf. Van de politie kan niet gevraagd worden de veiligheid te garanderen. Zo maakbaar is onze samenleving niet. Er zal altijd weer ellende en onveiligheid zijn.

Van de politie kan wel gevraagd worden om in ervaren onveiligheid burgers bij te staan, naar voren te stappen en als begrenzende, beschermende sterke arm daadkrachtig en vakkundig te handelen. Daarover moeten doelen gaan. Daarbij past geen simplisme. Politiewerk gaat immers vaak over ingewikkelde samenlevingsvragen. Hoe pak je onaantastbaren effectief aan; hoe hanteer je oplopende spanningen in wijken; hoe beperk je risico’s van jihadisme; hoe voorkom je dat de zware criminaliteit kwetsbare buurten ondermijnt? Hoe blijf je bij dat alles geloofwaardig ‘politie voor een ieder’?

We weten dat de kracht van repressie beperkt is, contraproductief kan zijn, maar wat werkt wel? De vraag of de politie het goed doet, kan niet vanachter het dashboard worden beantwoord. Door dat wel te doen, wordt op ontmoedigende wijze de professionaliteit en het buurtbelang ontkend.

Een voorbeeld: twee wijkagenten uit een slechte wijk – veel arme bewoners, veel nationaliteiten – weten met moeite een klein buurtveiligheidsteam op de been te krijgen. Ze hebben veel moeten investeren om het vertrouwen te winnen. Een aantal bewoners en professionals die de wijk goed kennen surveilleren samen, ruimen de rotzooi op, sporen bewoners aan beter op te letten op inbrekers, etc. Ze hebben, mede gelet op de reacties van de bewoners, het idee dat dat vruchten afwerpt. Het stadsbestuur krijgt hier lucht van en belooft ook andere wijken zo’n team. Dat doen ze door het oorspronkelijke team op te heffen en als flexteam aan te bieden aan het hele stadsdeel. De zaak zakt in elkaar. Het valt het bestuur niet op.

Wie iets zinnigs over politiewerk wil zeggen moet zich nieuwsgierig richten op de praktijk. Niet wat zijn de cijfers, maar wat leert de praktijk? Simpele cijferdoelen werken ondermijnend. Vanuit het besef dat politiewerk onvermijdelijk moerassig is, zou de politiek de politie moeten uitdagen tot het aanbieden van betekenisvollere doelen. Doelen die niet gaan over wat telbaar is, maar over wat telt voor bewoners van wijken en buurten. Voor het formuleren van zinvolle doelen moeten we de tijd nemen. Niet vooruit vluchten in nieuw simplisme. Zinvolle doelen schudt je niet zo uit de mouw, maar de zoekrichting is wel te duiden.

Het zal gaan over vertrouwen. Wordt de politie in de eigen omgeving vertrouwd als vakkundige, betrokken en rechtvaardige sterke arm , als een macht ten goede? Of niet? Ook dat komt regelmatig voor. Daar moet het over gaan. In het vertrouwen dat vele politiemensen zich elke dag inspannen om goed werk te leveren.