Bastaards bijten terug in scherpe politieke fabel

De Hongaarse regisseur Kornél Mundruczó geniet weliswaar al jaren veel aanzien in het festivalcircuit als een belangrijke hedendaagse ‘auteur’, maar zijn vormexperimenten haalden buiten Hongarije zelden de bioscoop. Zoiets gaat op den duur wringen, vandaar dat hij met White God een nieuwe weg inslaat en zijn filmtaal radicaal heeft versimpeld en heel bewust mikt op een groter publiek.

Met succes, want de film heeft meteen de Nederlandse bioscopen gehaald. En dat is zeer verdiend, want White God is bij alle eenvoud en directheid wel buitengewoon knap gemaakt. Wat Mundruczó allemaal voor elkaar weet te krijgen in zijn massascènes met 250 honden grenst aan het ongelooflijke.

De film volgt Hagen, de bastaardhond van de dertienjarige Lili. Haar vader zet het dier tijdens een ruzie in de auto pardoes op straat, waarna een lange lijdensweg volgt voor het dier, dat in handen valt van een fokker van vechthonden. Maar Hagen vindt ook kameraadschap bij de andere straathonden en gezamenlijk nemen ze gruwelijk wraak op hun kwelgeesten. Na White God kan niemand meer denken dat de fabel een braaf kindergenre is.

Mundruczó houdt zich voor het eerst aan de regels van een genre, en dat genre is de fabel. Volgens classici is dat een van de weinige genres uit de oudheid die gerekend kunnen worden tot de populaire cultuur: simpele verhalen waarin personages van eenvoudige komaf – gesymboliseerd door dieren – via een allegorische omweg het wangedrag van de maatschappelijke elite aan de kaak stellen.

Dat is een genre dat tot in de twintigste eeuw doorwerkt, met George Orwell die hetzelfde procedé gebruikte in Animal Farm om de hypocrisie van het stalinisme bloot te leggen: „Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere.”

White God past naadloos in die traditie: het trieste lot van de hond in de film staat symbool voor de uitsluiting en racisme in de wereld van de mensen, dat kan niemand ontgaan met die filmtitel. Maar de hond is een symbool dat maar half een symbool is, want de film gaat ook – heel letterlijk – over de menselijke omgang met dieren.

Hagen is vernoemd naar de duistere figuur in Wagners Ring, die de Germaanse held Siegfried om zeep helpt. De film bevat nog meer verwijzingen naar Wagners muziek, wellicht omdat Mundruczó hem – niet geheel onterecht – ziet als een van de bronnen van de blanke suprematiewaan.

De film zou nog harder zijn binnengekomen, en een nog radicalere politieke kritiek hebben kunnen bevatten, als die – bij al het evidente maatschappelijke en politieke engagement– niet ook een naïeve lofzang op de verlossing van de kunst zou zijn. Kunst en schoonheid zijn misschien niet meer dan doekje voor het bloeden in de film, maar we kunnen ook niet zonder dat doekje.