Column

Zo’n integratiedebat kan echt niet iedereen volgen

In de vroege jaren van mijn carrière als manusje-van-alles kreeg ik soms brieven met existentiële vragen. „Wie denk je wel dat je bent?”, was een van die vragen. Zelf bleken de briefschrijvers ook te worstelen met de materie, want zulke brieven waren meestal anoniem.

Naarmate ik ouder en dikker en zelfvoldaner werd, kwam het steeds vaker voor dat mensen zich aan me voorstelden met de bewering: „Ik ben helemaal niemand.”

Uiteindelijk heb ik uit deze curieuze confrontaties de conclusie getrokken dat de mensheid tobt met een wezenlijk onderscheid. Wezenlijker dan de verschillen in huidskleuren, geaardheden en seksen.

Het onderscheid tussen mensen die wel iemand zijn en mensen die niet iemand zijn.

Het gevoel wel iemand te zijn – het gevoel te worden gezien en gehoord – draagt bij aan de waardigheid van de mens. In Amerikaanse discussies over diversiteit duikt nogal eens de vraag op of een zwarte rijke vrouw beter af is dan een witte arme man. Volgens mij vallen die afzonderlijke achterstandsposities niet zo simpel met elkaar te vergelijken, er is geen hiërarchie in hobbels. De basisvraag is of je macht hebt over je leven, in staat bent je basisbehoeften te vervullen en iemand te zijn.

In verband met deze waardigheidsvraag lijkt in onze ingewikkelde maatschappij vooral de positie van mensen met een lage intelligentie zorgelijk. Zwakbegaafden hebben immers een heel ander soort achterstand dan groepen die last hebben van hun sekse of hun achternaam. Ze hebben niet alleen last van de verhoudingen in de maatschappij, ze begrijpen ze ook niet.

Het is verhelderend af en toe iets te horen over de problemen waarop je stuit als je de alledaagse communicatie niet kunt volgen. In een artikel over therapietrouw van patiënten lees ik dat bijna twee miljoen Nederlanders grote moeite hebben met het advies tweemaal daags twee tabletten te slikken. In het artikel heetten zij ‘laaggeletterden’, maar dat lijkt me een verlegenheidsoplossing. Functioneel analfabeten kunnen intelligent genoeg zijn – die krijgen niet per se problemen als een arts of apotheker ze vertelt wat ze tweemaal daags moeten doen.

Zwakbegaafden is een betere term. Daaronder vallen mensen die de dagen van de week niet uit elkaar kunnen houden, die bij oorpijn paracetamol meekrijgen in vloeibare vorm en dat in hun oor gieten. Bij het nadenken over maatschappelijke verhoudingen, over integratie, gemeenschapszin en saamhorigheid kan het geen kwaad te beseffen dat een op de acht burgers zwakbegaafd is en een op de veertig zwakzinnig.

In een cultuur die waarde hecht aan de rede kan al gauw de hoop opbloeien dat uiteindelijk iedereen tot dezelfde conclusies en standpunten komt, dat het openbaar debat werkt met een gemeenschappelijk begrippenkader. Dat een argument een argument is. Maar hebben we oog voor diversiteit, dan moeten we ook oog hebben voor het feit dat niet iedereen de discussies kan volgen op het niveau waarop de tevreden burger ze voert.

Tegenwoordig denk ik veel terug aan een boze ingezonden brievenschrijver die ooit in De Telegraaf protesteerde tegen de rechter: die had namelijk de bevelen van het Openbaar Ministerie niet opgevolgd. Laaggeletterd was deze briefschrijver natuurlijk niet, en zwakbegaafd waarschijnlijk ook niet, maar zijn brief maakte wel duidelijk waarom sommige mensen zo vreselijk boos zijn op het rechtssysteem. Als ik dacht dat de officier de baas van de rechter was, zou ik op deze plek ook wekelijks briesen over de brutaliteit van de rechterlijke macht.

Als je het mij vraagt, gaat het best goed met de onderlinge verhoudingen in dit druk bevolkte land. De illusie van uniformiteit vervaagt, de gevoeligheid voor verschillen neemt toe en conflicten over diversiteit blijven beperkt. Eigenlijk bedreigt vooral het old boys network van de PVV, met zijn onverholen machtswellust, de mogelijkheid iemand te zijn of te worden. Nu kun je in antwoord daarop het belang van maatschappelijke diversiteit bepleiten in de abstracte termen van de politieke theorie – maar zo’n boodschap komt niet altijd overal aan.

Verschillen zijn er namelijk niet alleen in huidskleur, sekse of geaardheid, maar ook in intelligentie. Zwakbegaafdheid is als hoogbegaafdheid een veelvoorkomend verschijnsel; het een is geen reden voor gêne, het ander geen reden voor geloof in je uitzonderlijkheid. Natuurlijk kunnen we hier op deze plek mopperen omdat miljoenen Nederlanders langzamer tot begrip komen dan wij, grote denkers die al in het vroege najaar van 2014 het licht hebben gezien inzake onbewuste discriminatie en wereldvrede. Maar de kans is groot dat gespreksgenoten verderop in de samenleving deze morele paracetamoldrank in hun oor gieten, omdat ze het jargon niet begrijpen.