Column

Zeven keer per dag

‘Seks in de biografie’ – een altijd boeiend, zo niet prikkelend onderwerp. De redactie van het Nieuw Letterkundig Magazijn, een uitgave van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, koos het als thema voor haar laatste nummer van het jaar. Twintig auteurs van biografieën in wording konden reageren op de vragen: hoe sta je tegenover het seksuele leven van degene die je biografeert; wat doe je met de soms zeer intieme informatie over de beschrevene?

Die intieme informatie blijkt soms opmerkelijke overeenkomsten te bevatten, zoals bij de dichter P.C. Boutens en de schrijver Jan Wolkers. Zo lees ik bij Marco Goud over de homoseksuele Boutens het citaat: „P.C.B. kon het wel zeven keer per dag, meneer.” En over Wolkers, volgens zijn tweede vrouw Annemarie Nauta: „7× per dag. Na ’t ontbijt, na de lunch. Als ik in de keuken stond koffie te zetten, dan dacht ik, daar komt hij weer.”

Dit laatste detail zal ongetwijfeld ook in de biografie van Onno Blom terechtkomen. Hij legt uit dat Wolkers hem had aangeraden álles op te schrijven, ook het allerintiemste. „Vervolgens vertelde hij langs zijn neus weg dat hij eens bijna met zijn zuster Janna naar bed was geweest – en hij keek lachend hoe ik reageerde op de freudiaanse vis die hij in de oceaan had geworpen.”

Zo gemakkelijk als de biograaf van Wolkers zullen de meeste biografen het niet krijgen. Zij missen het expliciete fiat van hun ‘onderwerp’ en zullen op eigen kompas moeten varen. De meesten, zo blijkt uit hun artikelen, hebben besloten niet al te terughoudend te zijn.

Koen Hilberdink herinnert zich de verwijten toen hij destijds in zijn Lodeizen-biografie beschreef hoe Lodeizen in de straten van New York en New Orleans hoereerde. „Het gaat om de poëzie”, schreef een lezer hem. „Nee, het gaat om het persoonlijke leven”, reageerde Hilberdink, „en daarin speelde voor Hans Lodeizen seks een uitermate belangrijke rol.” Een biograaf heeft volgens hem de taak een historische en psychologische context te schetsen, die verheldert waarom iemand in verschillende fasen van zijn leven bepaald werk heeft geschreven.

Dezelfde benadering proef ik in meer of mindere mate bij de meeste andere biografen. Of het nu Arjen Fortuin (Geert van Oorschot), Mario Molegraaf (Hans Warren), Petra Teunissen-Nijsse (Clare Lennart), Maaike Meijer (F. Harmsen van Beek), Elsbeth Etty (Willem Wilmink) of Eva Rovers (Boudewijn Büch) is.

Marjo van Soest, biografe van Emmy van Lokhorst, geeft ronduit toe dat ze veel plezier heeft beleefd aan de erotische details uit het bronnenonderzoek. Ze citeert een briefje van Martinus Nijhoff aan Emmy na een van hun geheime ontmoetingen in 1924: „Zeg, toen ik vanmorgen onder de douche stond, zag ik wel op mijn linkerschouder de dubbele rij tandjes ingebeten. Ze staan er nog, maar zullen helaas meteen al weer bleker zijn.”

Toch zie je bij Van Soest ook wel twijfel insluipen over de relevantie van sommige bijzonderheden: „Maar hoe betrouwbaar zijn de door Emmy beschreven pijnlijke scènes uit dat laatste huwelijk? En: wie of wat is er gebaat bij de onthulling daarvan?”

Daarmee maakt ze duidelijk dat de gewetensvolle biograaf moet beseffen dat er grenzen zijn aan de noodzaak van bepaalde onthullingen. De enigen die geen verantwoording hoeven af te leggen zijn wij, de lezers. Met onze al of niet gezonde nieuwsgierigheid.