Wees je eigen maestro

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: voor iedereen is er een geschikte Bach.

Anna Klevan

Ik snap heel goed dat je er duizelig van kunt worden, al die klassieke muziek. Al die namen van componisten met hun ‘werken’ die je zou moeten kennen. Helemaal beangstigend voor beginnende luisteraars is dat al die stukken ook nog eens in vele uitvoeringen waaruit je kunt kiezen beschikbaar zijn. Op Amazon kun je er 400 (!) vinden van Schuberts liedcyclus Winterreise. En als je op Spotify (of gewoon in een cd-winkel natuurlijk) zoekt naar de Zesde symfonie van Tsjaikovski vind je versies van tientallen orkesten.

Intimiderend, inderdaad.

Maar het is ook een van de leuke dingen aan klassieke muziek. Want je kunt de ene uitvoering (of, dat klinkt lekker chique: interpretatie) van een stuk vreselijk vinden en de ander juist prachtig. Vergelijk het met de manier waarop iemand een verhaal voorleest – de ene keer word je gegrepen, de andere keer niet. Iemand kan een prachtige stem hebben, en toch zo zouteloos voordragen dat je afdwaalt.

Zo heb ik vaak genoeg gehad dat ik dacht dat ik een stuk helemaal niks vond, tot ik die ene uitvoering hoorde – en alsnog verkocht was.

Wat maakt nou het verschil?

Klassieke muziek is in de regel opgeschreven muziek – een stel noten bij elkaar met daarboven wat aanwijzingen voor de dynamiek (welke noot klinkt hard of zacht?) en met stippen en bogen om aan te geven of een reeks noten staccato (los van elkaar) of juist legato (gebonden) moet klinken. Maar ook in de meest gedetailleerde partituren (zoals die van Mahler, die heel precies aangeeft hoe je moet spelen) is er heel veel ruimte over voor interpretatie.

Bijvoorbeeld: hoe groot maak je je orkest? Hoeveel violen laat je meespelen? En wat is allegro (snel) en wat is adagio (langzaam) nou eigenlijk? Dat is relatief.

Bij een orkest is het in de regel de dirigent die bepaalt wat er gebeurt en welke instrumenten hij in welke passages uitlicht. Die mensen zijn het dan ook die met de eer strijken, al is dat niet altijd terecht.

Als dirigent of musicus kom je er niet mee weg om ‘zomaar’ te spelen wat er in de partituur staat. De manier waarop we spelen is aangeleerd, en van wat je geleerd hebt, kun je afwijken. Dat is de kunst van die maestro’s: om ons steeds weer te verrassen met nieuwe inzichten, om steeds iets bijzonders bloot te leggen.

Uiteraard zijn er ook veel verschillende stromingen binnen de klassieke muziek. Heel invloedrijk bijvoorbeeld is de beweging, ontstaan in de vorige eeuw, van musici die vonden dat je oude of klassieke muziek zo veel mogelijk moest benaderen met de middelen die de componisten in hun eigen tijd tot hun beschikking hadden. Volgens die school zou je een stuk van Bach niet met een groot, romantisch orkest moeten spelen, maar met een klein barokensemble. Niet met piano, maar met klavecimbel. De strijkers moeten strak spelen, vibratoloos. En – zoals in Bachs tijd gebruikelijk – op darmsnaren in plaats van stalen snaren.

Luister bijvoorbeeld eens naar het openingskoor van de Matthäus-Passion in de uitvoering van Willem Mengelberg met het Concertgebouworkest en een gigantisch koor. En luister daarna naar de veel soberdere uitvoering van Gustav Leonhardt. Dat is het verschil. Welke kies jij?