Slaven gaven planten in Suriname hun naam

Uit de namen waarmee Surinamers planten in hun land aanduiden, blijkt dat tot slaaf gemaakte Afrikanen een groot deel van de flora in de Nieuwe Wereld herkenden. Zij namen planten mee of gaven vertrouwd ogende planten aan de overzijde van de oceaan dezelfde namen als in Afrika. Dat blijkt uit een vergelijkend onderzoek van plantennamen in Suriname, Benin en Gabon door een team Nederlandse en Surinaamse botanici onder leiding van Tine van Andel van het Leidse Naturalis (PNAS, early online edition).

Tussen 1658 en 1825 werden zo’n 300.000 West-Afrikanen als slaaf verscheept naar de plantagekolonie Suriname. Zij namen behalve planten vooral cultuurgebonden botanische kennis mee. Van Andel en collega’s identificeerden planten van Afrikaanse origine die in Suriname hun namen uit de Oude Wereld hebben behouden, Afrikaanse namen die waren vertaald in de Afro-Amerikaanse lingua franca Sranantongo, en andere taalkundige en botanische connecties tussen Afrika en Amerika.

Zij ontdekten dat 20 procent van de plantnamen in Sranantongo en liefst 43 procent van de plantnamen in de talen van Marrons, nakomelingen van weggelopen slaven, elementen bevatten die sterk lijken op West-Afrikaanse plantnamen. Hieruit blijkt dat vooral ontsnapte slaven in de bossen van het binnenland hun culturele erfenis in de vorm van plantenkennis hebben overgebracht naar de Nieuwe Wereld.