Morgen ga ik het anders doen, dacht ik elke dag

Acht jaar lang had Stephanie-Joy Eerhart geen thuis, van haar 16de tot haar 24ste zwierf ze van opvang naar parkbankje. Nu is ze 29 en is haar tweede boek verschenen over leven met een verslaving. Verslaafd is ze niet meer, ze studeert nu om maatschappelijk werker te worden.

Foto’s Nick van Tiem

Hoe ziet een ex-junk eruit? Deze draagt een gestreken witte blouse, heeft geëpileerde wenkbrauwen en een ketting met een diamanten hartje eraan. Geen doffe blik, geen grauwe huid of onverzorgde tanden. Deze ex-verslaafde studeert om maatschappelijk werker te worden op het hbo in Amsterdam, ze woont in Haarlem, in een appartement van tachtig vierkante meter met een houten vloer. Naast haar studie werkt ze in een opvang van het Leger des Heils, waar ze mensen helpt die zijn zoals zij was.

Stephanie-Joy Eerhart had acht jaar lang geen thuis, van haar zestiende tot haar vierentwintigste zwierf ze van opvang naar parkbankje en leefde ze voor drugs. Het begon op haar zestiende met marihuana, op haar zeventiende werd dat cocaïne. Daarna waren er ook speed, methadon en alcohol.

Ze vertelt er nuchter over – in alle opzichten – en zonder te haperen. Het gesprek is in een kantoortje van het Leger des Heils. Soms komt er een collega binnen, maar dan praat ze gewoon door. Eerhart schaamt zich niet.

Ze is nu 29. Onlangs verscheen Littekens van de straat, het tweede boek dat ze over haar leven met een verslaving schreef.

Iedereen kan door een samenloop van omstandigheden op straat belanden, wil Eerhart met haar verhalen duidelijk maken. Als relatief kleine ongemakkelijkheden samenklonteren, kunnen ze groots en verwoestend worden. Voor je het weet ben je dakloos en zit je stiekem met een gebroken balpen een verkruimelde Ritalin-pil op te snuiven, zoals Eerhart in haar boek beschrijft.

„In de opvang waar ik werk, zie ik elke dag mensen die hun baan hebben verloren, verslaafd raakten, in de schulden raakten en hun huis verloren. Als je vrienden of familie je niet kunnen helpen, sta je zo op straat.”

Voor Eerhart begon de samenloop van omstandigheden met een gehoorstoornis die ze na een ontsteking kreeg op haar derde – je merkt het als ze praat – en een auto-ongeluk op haar zesde waar ze een verbrijzelde voet aan overhield. Ze was dus een tiener met een gekke stem en een mank been dat pijn deed.

Afwijkingen zijn moeilijk in de pubertijd. Eerhart maakte ruzie met haar ouders, kreeg anorexia, liep weg van huis. De bal was aan het rollen geraakt. Op haar veertiende werd ze opgenomen in een jeugdopvang. Van vrienden die ze daar ontmoette, leerde ze jointjes roken.

De eerste keer coke was op haar zeventiende bij de vader van een vriendin thuis. De roes was „geweldig”. Het voelde heerlijk, want ze voelde niets. Dat wilde ze graag, besefte Eerhart: nooit meer iets voelen, nooit meer aan haar problemen denken.

Zo beland je van de bank in de goot.

Je reflecteert nu veel op je leven als verslaafde. Dacht je tijdens je verslaving ook na over wat je deed?

„De hele tijd. Als ik drugs had gebruikt, maakte ik lijstjes met dingen die ik wilde doen om mijn leven op orde te krijgen. ‘Terug naar school’, stond er bijvoorbeeld op. Ik zou naar het Nova-college in Haarlem gaan en daar vragen of ik les kon volgen en of ik recht had op studiefinanciering. Maar als ik nuchter was, voelde alles anders. Oh my god, dat lukt me helemaal niet, dacht ik dan. Wat moeten ze wel niet van me denken, een meisje zonder diploma’s en zonder huis. En dan gebruikte ik weer drugs en ging ik weer een lijstje maken. Het was een vicieuze cirkel. Morgen ga ik het anders doen, dacht ik iedere dag. Dat kun je jaren volhouden. Er is altijd wel een morgen. Ik zie het bij mijn bewoners ook. Alles gebeurt altijd later.”

Waarom wilde jij je verhaal opschrijven?

„Ik wil dat mensen begrijpen hoe het is om een leven op te bouwen na een verslaving. In Littekens van de straat vertel ik over het geestelijk afkicken. Dat is veel moeilijker dan lichamelijk afkicken omdat je merkt hoe het is om te leven zonder verdoving. Ik was eraan gewend om een vluchtweg te hebben: coke of andere drugs. Clean leren leven is een hel.

Na mijn lichamelijke afkick in 2008 heb ik anderhalf jaar gedacht dat ik elk moment terug zou kunnen vallen. Elke dag wilde ik drugs gebruiken. Ik heb er zelfs vaak aan gedacht om dan maar aan de heroïne te gaan. Maar opeens was het verdwenen en wist ik zeker dat het nooit meer terug zou komen. Ik werd wakker met dat gevoel en dat is niet meer weg gegaan. Dat gaat bij gelovigen wel vaker zo. Ik wil geen mensen afstoten met een Hallelujah-verhaal, maar ik weet dat het genade is geweest.”

Is het wel verstandig om als ex-verslaafde met verslaafden te werken? Je wordt elke dag geconfronteerd met het verleden.

„Ik heb helemaal geen behoefte meer aan drugs, dus ik vind het niet moeilijk om mensen te zien die onder invloed zijn. Ik begrijp ze juist als geen ander. Ik weet dat iedereen een andere reden heeft om zichzelf te verdoven. Ik weet ook hoe het is om te wonen in een sociaal pension, dat zie ik als een voordeel. Het is ontzettend zwaar. Ik kan met mensen praten over hoe het is als je zelf vooruit gaat, maar de gesprekken om je heen gaan over een bolletje cocaïne of over wie er nou weer over de wc-bril heeft gepist. De meeste mensen hier krijgen gemiddeld 700 euro per maand. Hier moeten ze ongeveer 530 euro betalen voor kost en inwoning. Daar komt dan nog de ziekteverzekering bij. En de meesten hebben schulden. Je raakt enorm gestresst als je brieven krijgt van schuldeisers en deurwaarders. Ik weet een beetje hoe ze denken.”

Je klinkt een beetje kwaad.

Lacht: „Ik kan heel boos worden van de Nederlandse bureaucratie. Je ziet regelmatig dat iemand alles in zich heeft om op zichzelf te wonen, maar die stap niet kan maken doordat er schulden zijn. Ik kan me er boos over maken dat er geen geld aan de bomen groeit. Dat er dingen zijn waar je gewoon helemaal niets aan kunt doen. Je hebt mensen die hier al jaren wonen omdat ze vastlopen in het traject van hulpverlening. Sommigen hebben heel veel boetes en daarvan kan een deel niet mee in een schuldsaneringstraject – bijvoorbeeld boetes die zijn opgelegd door de rechter. Het is mijn voorstel om binnen het Leger des Heils een fonds op richten voor die niet-saneerbare boetes. Dan kan iemand wel de schuldsanering in en is-ie met drie jaar van zijn schulden af.”

Je ziet een verslaving dus als een ziekte – je moet worden geholpen bij het genezen.

„Geen enkele verslaafde wordt dagelijks wakker met de gedachte: yes, ik ga vandaag weer lekker drugs scoren. Er komt onvermijdelijk een dag dat je het baggerzat bent, maar als die dag komt, moet je wel een uitweg zien. Dat was bij mij op het laatst zo. Omdat ik lichamelijk was afgekickt, hoefde ik minder lang te wachten op een huis. Ik kreeg urgentie bij Woningnet.”

Op de cover van Pappie’s kleine meid slaapt op straat uit 2009, heeft Stephanie-Joy lange, rood geverfde haren. Ze zit buiten op een trap en draagt een wijde zwarte broek. Je snapt wel dat ze in die tijd „de Nederlandse Christiane F.” werd genoemd – de jonge Duitse heroïneprostituee die bekend werd met haar boek Wir Kinder vom Bahnhof Zoo. Een beetje overdreven vindt Eerhart dat wel. „Ik gebruikte geen heroïne en tippelde niet.” Maar drugs gebruiken was – net als bij Christiane F. – aanvankelijk ook een soort houding, „stoerdoenerij”. Dat rode haar verfde ze zo op haar zeventiende, vlak nadat ze haar eerste jointjes rookte en op cocaïne overstapte. „Het boek had ik zeker gelezen. Ik vond het ook een stoer boek, net als Het verrotte leven van Floortje Bloem. De hoofdrolspelers, die triggeren je wel een beetje.” Dat zou ik ook wel eens willen voelen, zo zou ik ook in het leven willen staan, dacht Eerhart. Die boeken waren niet de aanleiding, maar ze hebben er wel toe bijgedragen.

Ze heeft nooit heroïne geprobeerd, zoals Floortje en Christiane. „Dat durfde ik niet, ik was bang dat ik mijn lichaam zou gaan verkopen.” Lacht: „Ja, zo goed had ik Christiane F. wel gelezen. Ik was ook heel bang voor injectienaalden.”

Vind je een leven zonder drugs wel eens minder leuk?

„Nee, nu vind ik het veel geweldiger. Stoofpeertjes op het vuur, een kerstdorpje bouwen, daar kunnen de trips niet aan tippen. Toen had ik hoge pieken en diepe dalen, nu is alles stabiel.”