Karaktermoord op Engelen, dat commentaar was lasterlijk

Drie hoogleraren nemen het op voor geattaqueerde Ewald Engelen.

Het hoofdredactionele commentaar van afgelopen vrijdag was gewijd aan Ewald Engelen, met als strekking dat hij zich met zijn boek De schaduwelite „onsterfelijk blameerde” en zijn geloofwaardigheid als auteur had verloren. Gezien de prominente behandeling betrof het blijkbaar een grote misstand. Het was ook niet de eerste publicatie over Engelens klaarblijkelijke misstappen als criticus van de financiële wereld. De dag ervoor publiceerde het economiekatern van NRC een portret van Engelen waarin zijn omstreden reputatie breed werd uitgemeten. De toon ervan was echter aanzienlijk gematigder dan van het ronduit lasterlijke hoofdredactionele commentaar, en onvergelijkbaar met de pogingen tot karaktermoord op Engelen die in andere media worden ondernomen.

De felheid waarmee Engelen wordt geattaqueerd is verontrustend. Natuurlijk, wie kaatst kan de bal verwachten. Engelen heeft het debat over de financiële crisis aangejaagd met publicaties op het scherpst van de snede, met onbeschroomde oordelen en retorische overdrijving. Een even scherp gesteld antwoord op zijn stellingnames zal niemand bevreemden. Opvallend is evenwel dat in geen van de publicaties van de afgelopen dagen zelfs maar een poging wordt gedaan de argumenten die Engelen heeft aangedragen te ontkrachten. De verwijten die hem worden gemaakt betreffen niet het waarheidsgehalte van zijn uitspraken, maar zijn integriteit als wetenschapper en deelnemer aan het publieke debat.

Daarbij richt alle aandacht zich op de lijst met namen die in de eerste editie van De schaduwelite was opgenomen. De lijst wekte ten onrechte de suggestie dat alle genoemden hadden bijgedragen aan de verdediging van de bancaire sector tegen aanvallen op zijn rol in de financiële crisis. Beter was het geweest te spreken van een cast of characters als aanduiding van de mensen die figureerden in het financiële drama. Dat de lijst anders gelezen kon worden, valt Engelen zeker aan te rekenen. Maar de verdachtmaking dat de lijst „verzonnen” was, zoals het commentaar stelde, raakt kant noch wal. Engelen betoogt dat de financiële sector in de jaren voor de crisis op een enorm politiek krediet kon rekenen en sinds 2008 nooit serieus ter verantwoording is geroepen. De Nederlandse banken waren niet alleen too big to fail, maar Engelen noemt man en paard als het gaat om de wijze waarop bankiers, verzekeraars, accountants, toezichthouders en politici vrij spel kregen én krijgen om Nederland tot broedplaats te maken van financiële wanproducten.

Zijn conclusies zijn natuurlijk niet boven kritiek verheven. Maar zijn betoog is gebaseerd op grondig wetenschappelijk onderzoek, waarover Engelen publiceerde in toonaangevende tijdschriften als Economy and Society, Journal for Economic Geography, Growth & Change en Politics & Society. De hoofdlijn van het betoog had Engelen al eerder ontwikkeld als mede- auteur van After the Great Complacence. Financial Crisis and the Politics of Reform, in 2011 gepubliceerd door Oxford University Press.

Het gebrek aan weerwoord op Engelens beweringen is niet toevallig. De hoofdrolspelers van het financiële echec hebben zich erg stil gehouden. Te weinig zijn bankdirecteuren, toezichthouders en andere prominenten uit de financiële wereld ter verantwoording geroepen door alerte volksvertegenwoordigers, vasthoudende journalisten of kritische economen. Engelen is een van de weinigen die dat wel doen.

Het getuigt van een opmerkelijk vermogen tot zelfreflectie dat Engelen zijn twijfel heeft uitgesproken over zijn effectiviteit. Dat zal voor hem een moment van bezinning zijn, maar het is vooral een cruciaal inzicht in de aard van het publieke debat. Over de wijze waarop de financiële sector verantwoording voor zijn falen zou moeten afleggen, is blijkbaar geen zinnig gesprek mogelijk. De karaktermoord die op Engelen wordt gepleegd is daarvan een bevestiging. Zijn argumenten blijven onweerlegd, maar de auteur wordt uit de discussie verbannen. Een krant die zich beroept op de band tussen verlichting en het vrije debat moet beter weten.