Hollander vergeet nooit zijn eigen belang

30 enorme groepsportretten blijven twee jaar in de Hermitage. Ze geven een goed beeld van de Gouden Eeuw.

Eén van de schutterstukken en andere groepsportretten in de Hermitage: Govert Flinck, Schutters van de compagnie van kapitein Joan Huydecoper en luitenant Frans van Waveren (1648, 265×513 cm, collectie Amsterdam Museum) Foto Oliver Middendorp

Netwerkers en baantjesjagers, idealisten en vergadertijgers: regelmatig duiken dezelfde namen en gezichten op in besturen en commissies, raden en businessclubs. In de Hollandse Gouden Eeuw was het weinig anders. De tentoonstelling van zeventiende-eeuwse groepsportretten in de Hermitage Amsterdam geeft daarvan een mooi beeld.

De schilderijen tonen stuk voor stuk gezelschappen van regenten, schutters of in gilden verenigde ambachtslieden. De geportretteerden zijn mensen die zich dienstbaar maakten voor de maatschappij, maar daarbij vast en zeker hun eigenbelang ook niet uit het oog verloren. Niet alleen waren er de geneugten van jaarlijkse diners die soms ontaardden in schranspartijen en drinkgelagen. Maar vooral ook zullen de status en de contacten die het lidmaatschap met zich meebracht, zijn gekoesterd. Om te laten zien dat sommigen, tegelijkertijd of in verschillende fasen van hun leven, deel uitmaakten van meerdere groepen, komt in de expositie elk kwartier een lichtshow op gang die het gemakkelijk maakt personen te herkennen die voorkomen in verschillende schilderijen.

De tentoonstelling geeft een overzicht van de ontwikkeling van het Hollandse groepsportret. Uit de zestiende eeuw dateren betrekkelijk kleine stukken van niet meer dan anderhalve meter hoog, waarin de afzonderlijke leden van schutterijen en broederschappen minutieus zijn geportretteerd. Natuurlijk hebben ze allemaal apart geposeerd en nogal eens blijkt de schilder moeite te hebben met het assembleren van al die koppen tot een overtuigend geheel.

Het genre van het groepsportret steeg in de zeventiende eeuw tot veel grotere hoogten. Schilders als Nicolaes Pickenoy, Jacob Backer en Rembrandtleerling Nicolaes Maes, zien kans grote groepen mensen in gevarieerde uitdossingen en poses en, toch op overtuigende wijze te portretteren. Veel van de werken, uit de collecties van onder meer het Amsterdam Museum en het Rijksmuseum, zijn al lange tijd niet meer aan het grote publiek getoond. Ze laten zien hoe de well-to-do zich in een sociaal verband liet portretteren. Hun kostbare kleding, maaltijden en vaandels, weerspiegelen het zelfbewustzijn van de gegoede burgerij die typerend is voor de Hollandse Gouden Eeuw, toen adel en kerk hier heel wat minder te vertellen hadden dan elders in Europa.

De doeken, die een plaats kregen in de representatieve zalen van grote stadspaleizen, bereikten vaak een indrukwekkende omvang – tot maar liefst drie meter hoog bij zes meter breed. Zo’n dertig reusachtige groepsportretten hangen nu in een spectaculaire presentatie, in twee registers boven elkaar in de grote zaal van het voormalige ouderentehuis uit 1682 dat de Hermitage Amsterdam vroeger was. Toepasselijk voor de locatie is een aantal regentenportretten uit charitatieve instellingen, zoals het Portret van de regenten en regentessen van het Oude Mannen- en Vrouwengasthuis dat Adriaen Backer in 1676 schilderde.

Tussen de echte schilderijen wordt op een scherm Rembrandts, zo opvallend van de schuttersstukkentraditie afwijkende, Nachtwacht geprojecteerd. Onduidelijk is wat is deze expositie de meerwaarde is van deze levensgrote digitale versie van een schilderij dat anderhalve kilometer verderop in het Rijksmuseum in het echt kan worden bewonderd. Het schilderij zelf knapt er niet van op, evenmin als de vele fraaie, maar goedbeschouwd minder inventieve schuttersstukken in de expositie er beter van worden.