Fiscale truc met oppasopa

Ze dachten het goed geregeld te hebben. Opa kreeg iedere maand 1.950 euro bruto voor het oppassen op zijn kleinkinderen en betaalde op zijn beurt een maandelijkse vergoeding van 1.787 euro aan zijn schoonzoon voor alle oppasfaciliteiten. Contant.

In de overeenkomst stond dat opa voor dit bedrag een auto kreeg tijdens de opvanguren en een mobiele telefoon die hij alleen mocht gebruiken voor communicatie over de opvang. Verder mocht hij een speciale opvangruimte gebruiken en waren ook alle andere onkosten, zoals eten en drinken, met dit maandelijkse bedrag gedekt.

Een mooie constructie, want door de kostenaftrek bleef er van het bruto resultaat uit overige werkzaamheden – waarover inkomstenbelasting betaald moest worden – weinig over. Maar de belastinginspecteur accepteerde de aftrek niet. Tien procent van de bruto opbrengst mocht als kosten worden opgevoerd, meer niet. Dit kwam neer op 2.400 euro per jaar in plaats van de gestelde 21.450 euro.

De rechtbank Den Haag gaf de inspecteur gelijk. Volgens de rechter „ontbeert de overeengekomen vergoeding realiteitsgehalte” en zou de overeenkomst niet tussen onafhankelijke derden tot stand zijn gekomen.

Ook in hoger beroep vindt het Haagse hof het onwaarschijnlijk dat er inderdaad bijna 1.800 euro per maand is uitgegeven aan de kleinkinderen. Bovendien is er geen bewijs dat het geld is opgenomen van de bankrekening en zijn de kwitanties niet gedateerd, niet gespecificeerd en incompleet. Waarschijnlijker is dat het geld nooit is betaald en dat de kwitanties achteraf zijn opgemaakt. Opa moet dus gewoon belasting betalen over zijn oppasinkomsten.