Ben je met een fel geloof en een vliegticket al strafbaar?

Gisteren deed de rechtbank een belangrijke uitspraak tegen jihadisten. Een teruggekeerde Syriëganger werd tot drie jaar cel veroordeeld. Maar een vermeende ronselaar bleek moeilijker te veroordelen.

In het Paleis van Justitie in Den Haag deed de rechtbank uitspraak tegen Syriëganger Maher H. (drie jaar cel) en ‘ronselaar’ Shukri F. (vrijspraak). Foto Novum

De rechter heeft de lat hoog gelegd voor het bestraffen van ronselen voor de jihad. Vermeend ronselaar Shukri F. werd gisteren vrijgesproken door de Haagse rechtbank, terwijl tegen haar vier jaar cel was geëist. De lat voor veroordeling van teruggekeerde Syriëgangers lijkt juist lager te liggen. Het hoeft niet vast te staan wat ze ter plekke precies hebben gedaan – ze kunnen al worden veroordeeld voor het vooraf kopen van vliegtickets, voeren van chatgesprekken en plannen van de reis. Maher H. werd conform de eis van het OM veroordeeld tot drie jaar cel.

Er werd uitgekeken naar de uitspraak, omdat die een belangrijke test is van de toepassing van de anti-terrorisme wetgeving op jongeren die zijn afgereisd naar Syrië, of die daartoe oproepen.

Die veroordeling zal met gejuich worden ontvangen bij het kabinet en andere voorstanders van een repressief beleid tegen Syriëgangers, zegt terrorismedeskundige Edwin Bakker van de Universiteit Leiden. „De boodschap is: weet dat je in Nederland niet zomaar op vrije voeten komt te staan. Hopelijk heeft dat een afschrikwekkend effect.” Wel vindt hij het zorgelijk dat Shukri F. („een grote dame in de radicale scene”) is vrijgesproken. „Ik denk dat een aantal moeders van meisjes in de buurt van deze vrouw vannacht wakker ligt. Wat moet ik doen als zij mijn dochter oproept om naar Syrië te gaan? Dat kan ze nu met een megafoon gaan doen.”

Het probleem bij het vervolgen van Syriëgangers is dat er moeilijk achter te komen is wat ze precies gedaan hebben. Daarom vervolgde het OM de voorbereidingen op ‘deelname aan de gewapende strijd’, niet de oorlogshandelingen zelf. Maar wat zijn ‘voorbereidingen voor deelname aan de gewapende strijd’? Is het kopen van een vliegticket naar Turkije en het hebben van een fundamenteel geloof daarvoor genoeg? Het inpakken van een paar stevige wandelschoenen?

In deze zaak had de rechtbank meer aanknopingspunten. Sterker nog, volgens de Haagse rechtbank staat vast dat H. „heeft deelgenomen aan de jihadistische strijd”, en niet, zoals hij zelf zei, alleen humanitaire hulp verleende. Doorslaggevend was een sms van H. aan zijn moeder: „We hadden ons vannacht teruggetrokken om tactische redenen”. Daarmee zal H. zijn moeder niet „nodeloos ongerust” hebben willen maken, aldus de rechtbank. H.’s verweer dat hij alleen humanitaire hulp verleende, noemde de rechter „volstrekt onaannemelijk”.

Zijn daden ter plaatse blijven onduidelijk, erkent de rechtbank. Maar hij wordt dan ook bestraft omdat bewezen is dat zijn voorbereiding – het kopen van vliegtickets, het chatten over zijn vertrek, het plannen van de reis – bedoeld was om aan de gewapende strijd deel te nemen. De sms aan moeder is het bewijs.

Wanneer is ronselen strafbaar?

Heel anders oordeelde de rechtbank over het ‘ronselen’ van Shukri F. De rechtbank sprak haar vrij van dit ‘werven voor de gewapende strijd’.

Het lastige aan ronselen is de dunne scheidslijn met de vrijheid van meningsuiting en geloof. Wanneer gaat het verboden werven over in het beschermde uitdragen van religieuze en politieke denkbeelden? Vast staat dat F. frequent en dwingend sprak over het kalifaat en de wenselijkheid van sterven als een martelaar. En dat zou je kunnen zien als het ‘ideologisch rijp maken’ van rekruten, wat de wetgever nadrukkelijk strafbaar heeft willen stellen. Maar eerder, in het proces tegen de Hofstadgroep, oordeelde het Hof al dat er meer nodig was. Rekruten moesten duidelijk tot geweld worden verleid, bijvoorbeeld met schietinstructies en bomgordels, zoals in die zaak.

Zulke concrete handelingen, dit verleidingsproces, ontbraken hier. De opmerkingen van F. zag de rechtbank als „morele ondersteuning”. Volgens hoogleraar strafrecht Geert-Jan Knoops legt de rechtbank de lat hiermee hoger dan het OM: „Het onderscheidend criterium lijkt nu te zijn dat er een verband bestaat tussen het ‘ronselen’ en ‘de gewapende strijd’, in de zin dat de ronselingshandeling direct moet bijdragen aan de strijd zelf.”

De rechtbank maakt een opmerkelijk onderscheid tussen het ronselen van vrouwen en mannen. Van de vrouwen tot wie Shukri F. zich richtte, werd aangenomen dat ze niet aan de gewapende strijd zouden deelnemen, maar „typische vrouwentaken” zouden uitvoeren. En omdat ronselen voor huishoudelijk werk of morele steun niet strafbaar is, werd F. alleen al daarom voor de vrouwen vrijgesproken. Dat zou anders zijn als ze ook „hand-en-spandiensten” zouden verlenen, zoals fouilleren, aldus de rechtbank. Daarmee is terrorismedeskundige Bakker het sterk oneens. „Vrouwen zijn juist essentieel voor de strijders daar. Wanneer verandert morele steun in faciliteren? En wanneer wordt faciliteren een bijdrage aan de gewapende strijd?”