Verslagen, maar toch verslaafd aan de politiek

De politicus die na een zware nederlaag afzwaait, zien we zelden voor het laatst. Dit weekend werkte de Franse oud-president Nicolas Sarkozy aan zijn rentree. Hij is niet de eerste die zich onmisbaar waant.

foto ERIC ESTRADE/EPA

Nicolas Sarkozy is – zoals meer politici - overtuigd van zijn eigen onmisbaarheid voor Frankrijk. „Ik heb geen keus”, verklaarde de oud-president een paar maanden geleden plechtig bij de aankondiging van zijn rentree in de politiek. Als zijn missie ziet hij het om het tobbende Frankrijk van de ondergang te redden. Zaterdag nam Sarkozy een eerste horde op weg naar een hernieuwd presidentschap: hij won de leiderschapverkiezingen van zijn partij, de UMP. Met minder stemmen echter dan tien jaar geleden (64 procent tegen 85 procent). En het is ook hoogst twijfelachtig of een meerderheid van de Fransen een terugkeer van de door schandalen achtervolgde Sarkozy in 2017 zou steunen.

Sarkozy is niet de eerste Franse politicus die een comeback ambieert. Je zou zelfs kunnen betogen dat die traditie al met Napoleon is begonnen, die na zijn eerste verbanning in 1814 doodleuk de macht weer greep en bij Waterloo een tweede keer moest worden verslagen, voor hij definitief het hoofd in de schoot legde.

Het publiek geniet ervan

Het Franse dagblad Le Monde sprak dit weekeinde zelfs van „een nationale sport”. De traditie van de comeback heeft volgens de krant te maken met de enorme ego’s van leidende politici en het feit dat de Franse politiek danig is gepersonaliseerd. De leider is belangrijker dan zijn of haar partij. Ook niet onbelangrijk: het Franse publiek is er gevoelig voor. Het geniet van het succes én het verlies van de matadors. Ook een ogenschijnlijk eeuwige nummer twee, zoals François Mitterrand die in 1981 toch nog president werd, sprak tot de verbeelding. Dit wordt wel het Poulidor-effect genoemd, naar de geliefde Franse wielrenner Raymond Poulidor die steevast tweede werd.

Exclusief Frans is de comeback evenmin. Ook het buitenland kent er spectaculaire voorbeelden van, nu eens geslaagde dan weer pijnlijke echecs. Zo leek de politieke loopbaan van de conservatieve Winston Churchill eind jaren dertig definitief voorbij. Maar zijn ‘finest hour’ moest nog komen en in 1940 werd Churchill alsnog premier, nadat Hitlers inval in Frankrijk de onzinnigheid aantoonde van de appeasementpolitiek van toenmalig premier Neville Chamberlain. Meteen na de Tweede Wereldoorlog, waarin Churchill zich had ontwikkeld tot oorlogsheld, stemden de Britten echter massaal op de Labourpartij van zijn voorganger.

„Ondankbaarheid jegens grote mannen is een kenmerk van sterke volken”, schreef Churchill in juli 1945 aan de Franse leider Charles de Gaulle. Een gedachte die zonder twijfel ook de Franse generaal moet hebben aangesproken. Die trad enkele maanden later af omdat hij niet kon leven met een zijns inziens verkeerde grondwet.

Maar zowel De Gaulle als Churchill kreeg een herkansing. Voor De Gaulle pakte die glorieuzer uit dan voor Churchill. In 1958, toen Frankrijk zich geen raad meer wist met de kolonie Algerije, werd De Gaulle weer van stal gehaald. Hij loste de Algerijnse crisis soepel op en bleef vervolgens elf jaar aan de macht als president, van harte gesteund door de dankbare Franse kiezers.

Churchill won in 1951 nog een keer de verkiezingen, maar werd kort daarna getroffen door een beroerte. Terwijl hij half verlamd te bed lag prevelde hij met nauwelijks hoorbare stem tegen zijn arts. „Ik heb het gevoel dat ik iets kan doen wat niemand anders kan en dat ik de wereld een nieuwe koers kan geven.” Churchill kwam weer op de been en bleef nog tot 1955 aan. Maar de glans was ervan af.

Tricky Dick en comeback kid

Ook in de Verenigde Staten doet zich het fenomeen van de comeback voor. Het wekt daar veelal positieve associaties op. Reden ook waarom Bill Clinton zichzelf in 1992 triomfantelijk als ‘comeback kid’ bestempelde toen hij ondanks een seksschandaal een tweede plaats wist te bemachtigen bij de voorverkiezingen in New Hampshire. En daarmee bleek de weg naar het Witte Huis open te liggen.

Een andere beroemde comeback was die van de Republikein Richard Nixon. Zwetend voor de camera’s had ‘Tricky Dick’ in 1960 het pleit net verloren tegen de veel onervarener John Kennedy. „Denk er eens over na hoe jullie mij nog gaan missen”, zei hij terwijl hij zijn vertrek aankondigde. „Straks hebben jullie Nixon niet meer om tegen aan te schoppen, want dit heren is mijn laatste persconferentie.”

Acht jaar later won hij alsnog de race om het presidentschap, om het Witte Huis zes jaar later met pek en veren te verlaten wegens het Watergateschandaal.

De begerigheid waarmee veel politieke leiders ook na de meest verpletterende nederlagen blijven streven naar een nieuwe ambtsperiode blijft opmerkelijk. Wie eenmaal heeft geroken aan de macht lijkt daaraan voorgoed verslaafd geraakt. Ook bij de in 2012 smadelijk weggestemde Sarkozy lijkt dat – ondanks zijn altruïstische retoriek – een grote rol te spelen. De Franse televisiejournalist Elise Baudouin sprak in dit verband van een ‘dwangmatig comeback syndroom’. De vraag is of de Fransen hun land een betere dienst bewijzen door ‘Sarko’ zijn zin te geven of hem af te wijzen.