Tarantino-dialogen en Haneke-geweld

De jonge Australische toneelschrijver en -regisseur maakt een radicaal-eigentijdse interpretatie van Euripides’ ‘Medea’ bij Toneelgroep Amsterdam. „Het publiek moet wakker geschud.”

Wie ‘Medea’ zegt, weet: kindermoord. Als je dan vervolgens een 11-jarig jochie ziet, dat zijn labiele moeder filmt, terwijl zij steeds krampachtiger belooft: ‘alles komt goed!’, is de puzzel snel gelegd. De jongen lacht nog, rent, speelt en plaagt, maar in een donker hoekje van ons hoofd is hij al dood. Dat verwachte onheil kleurt de kijkervaring, zozeer dat je het bijna niet aan kan zien – een tergende ingreep van de jonge Australische regisseur Simon Stone.

Stone speelt virtuoos met de voorkennis van zijn publiek, en is meester in het manipuleren van emoties. Effectbejag, zeker, maar o zo aangrijpend. „Ik wil mijn publiek bij de lurven grijpen. Gemeen? Nee, gemeen is het juist als je twee kinderen op toneel laat sterven die je niet te zien krijgt, en waar het publiek dus ook niet om geeft. Dan wordt hun dood gemakkelijk. En het mag alles zijn, behalve dat.”

Simon Stone (30) is een internationaal begeerd theaterwonderkind. Nadat hij twee keer met een Australische productie op het Holland Festival te zien was (The Wild Duck in 2013, en Thyestes in 2014), is Medea bij Toneelgroep Amsterdam zijn Nederlandse regiedebuut. Zijn handelskenmerk is het radicaal herschrijven van klassieke tragedies. Stone neemt doorgaans alleen de plot van een stuk en tuigt die op met hedendaagse teksten en gedrag – vaak gebaseerd op improvisaties met de acteurs.

Ook in zijn Medea blijft geen woord van Euripides behouden. Op het oud-Griekse fundament reconstrueert hij dit keer bovendien nog een andere, actuelere, geschiedenis: die van de Amerikaanse Debora Green, een bedrogen echtgenote en moeder die in 1995 haar huis in brand stak en zo twee van haar kinderen doodde.

„Elke voorstelling begint bij mij met praten met de acteurs”, zegt Stone. „We lezen de originele tekst, en bespreken wat dit verhaal betekent voor ons, in deze tijd. Voor mijn versie van het verhaal zocht ik naar een eigentijdse Medea, wat nog niet makkelijk is. Natuurlijk, er zijn, helaas, voorbeelden genoeg van wanhopige moeders die pasgeboren baby’s of heel kleine kinderen doden. Maar moeders die oudere kinderen doden – en ook nog eens uit wraak; vaker een mannelijk motief – zijn zeldzaam. Ik was verheugd, al klinkt dat natuurlijk een beetje raar, over hoe Greens verhaal overeenkwam met dat van Medea.”

Die overeenkomst: slimme vrouw staat aan de basis van het succes van haar man. Wanneer haar carrière stagneert als er kinderen komen, neemt de zijne een vlucht. Dan ruilt hij haar in voor een jongere vrouw en heeft ze niets meer over. „Als ze niet verliefd op hem was geworden, als die kinderen er niet waren gekomen, dan had ze een topcarrière gehad. Ze probeert het moment dat het misging terug te draaien.”

De talrijke voorbeelden van vrouwelijke kunstenaars of wetenschappers die het werk deden, terwijl hun mannen de eer opstreken, fascineren hem, zegt Stone. „Medea is daarvan het oer-voorbeeld. Jason krijgt alle credits, hij vindt het Gouden Vlies enzo. Maar alles wat hij bereikt, heeft hij aan haar te danken.”

Ultra-actuele televisietaal

Stone praat aangenaam nuchter over de grote toneelklassiekers, alsof het geen breekbare historische artefacten zijn die je met eerbied moet benaderen: „With Macbeth it’s like, you know, you never really feel sorry for the guy.” In de Oresteia die hij recent maakte bij het Duitse Theater Oberhausen laat hij een personage zeggen: „Hamlet oder Star Trek, das ist doch alles der gleiche Scheiß”. En de personages in Thyestes, ook al spelen ze dan in een Grote Griekse Tragedie, kletsen onnadrukkelijk en alledaags over eighties televisie, de Wu Tang-Clan en mobiele telefoonsnufjes. Die combinatie van klassiek toneelrepertoire (Stone herschreef ook stukken van Tsjechov, Ibsen en Strindberg) en zijn hyperrealistische, ultra-actuele televisietaal verrast, verleidt en fascineert.

„Ik hou van de klassieken omdat je daar altijd bij voelt: ‘Jezus, dat is extreem’. Tegelijk schreef Aristoteles al: de eerste wet van drama is herkenning. Je moet je kunnen identificeren met die mensen op toneel. Daarom moet Medea – Anna, heet ze bij mij – een vrouw zijn zoals wij die kennen. Een doodnormaal iemand waar je naast kan zitten in de tram, maar die door een keten van gebeurtenissen tot een gruwelijke daad komt. Je moet iets van haar in jezelf herkennen, zoals je in een ruzie een glas naar het hoofd van je man gooit.”

Anders dan in het „premoralistische tijdperk van de Oude Grieken”, vindt Stones Medea niet dat haar wraak gerechtvaardigd is. „Anna worstelt met haar dark side, haar destructieve instinct. Ze weet dat het niet hoort, dat het niet mag. En ze is steeds bezig zichzelf te overtuigen dat ze het zal kunnen overwinnen, dat het allemaal goed zal komen. Dat maakt haar herkenbaar en diep tragisch.”

Over Stones Oresteia in Oberhausen schreef een criticus: „Stone degradeert toneel tot HBO-televisie”. Hij lacht: „En dat was dus laatdunkend bedoeld! Terwijl: als ik iets zou kunnen schrijven dat zo significant is voor dit tijdperk als The Wire of The Sopranos dan zou ik de gelukkigste man op aarde zijn.” Soms valt bij hem, wel waarderend, de vergelijking met de Amerikaanse scenarist Aaron Sorkin (The Social Network, The Newsroom), en die vindt Stone dan ook „bijzonder vleiend”.

Popcultuur

Maar toch: hoe hij klassiek toneel injecteert met die ADHD-televisietaal is ongewoon. Zijn rigoureuze herziening van klassiekers wordt door sommige critici dan ook als behoorlijk blasfemisch beschouwd. Stone: „Het blijft me verbazen. Al die oude stukken zijn ooit toch ook bedoeld om actueel te zijn? Denk je dat Vondel wilde dat Lucifer onbegrijpelijk zou zijn voor het publiek? Alleen door stukken ingrijpend te actualiseren behouden ze hun zeggingskracht. Shakespeare deed zelf niet anders. Die gebruikte ook bekende verhalen of oude toneelstukken en actualiseerde die extreem. De setting is soms dan wel historisch, maar de humor is altijd contemporain. Die werkwijze hanteer ik ook, met een voor ons hedendaags equivalent. Daarom refereer ik veel aan eigentijdse popcultuur; dat zijn het soort gesprekken die mensen uit het alledaagse leven herkennen.”

Het is bovendien een middel – „cheap trick”, noemt hij het zelf ironisch – om het publiek te bedotten: de onschuldige, alledaagse gesprekjes maken dat de toeschouwer zich lekker op zijn gemak voelt, en dan, bam!, barst plots het geweld los. Maar dan wel anders, benadrukt Stone, dan bij Quentin Tarantino (Reservoir Dogs, Pulp Fiction) met wie hij ook veel wordt vergeleken. Want daar is ook het geweld ironisch, en dus onschadelijk, zegt hij. „Ik combineer zeg maar Tarantino-dialogen met Haneke-achtig geweld.”

In Thyestes bijvoorbeeld, schuift de titelheld gretig een bord spaghetti naar binnen, terwijl hij vrolijk keuvelt met zijn verloren broer Atreus. Blackout. Volgende scène: walgend, jankend, hysterisch, kotst hij zijn eten weer uit. In de tussentijd heeft een lichtbalk onthuld dat Atreus Thyestes zijn eigen kinderen serveerde.

Gelooft Stone in een soort theatrale shocktherapie? „Ik geloof dat toeschouwers in het theater wakker moeten worden geschud, niet in slaap gesust. Theaterpubliek heeft een bepaalde routine en daar moet je tegen blijven vechten. Als iets voorspelbaar wordt, sterft de magie. Ik wil het publiek echt ín die zaal krijgen, op dat moment, scherp, aandachtig, gefocust, erbíj. Een beetje zoals in het circus: als ze het net weghalen, en de acrobaat maakt zich klaar, dan zit heel het publiek op het puntje van zijn stoel. Die elektriserende spanning wil ik in het theater evenaren.”

Stone verzet zich tegen hardnekkig conservatieve krachten binnen het theater. „Theater moet voortdurend vernieuwen, we moeten nieuw publiek blijven vinden, en ons bestaansrecht bewijzen. Ik vind dat de eerste vijf minuten van echt elke voorstelling het voortbestaan van het theater zouden moeten rechtvaardigen. Nooit mag de overweging zijn: ‘dit is gewoon een mooi stuk en zo voeren we dat nu eenmaal op’. Een publiek dat meteen na binnenkomst al zit te wachten op die ene claus, dat vind ik een gruwel. Dodelijk.”

Als theater nostalgie wordt, heeft het geen toekomst, waarschuwt Stone. „Kunst moet van waarde zijn voor ons dagelijks bestaan – nu, morgen – en dat kan niet als het ‘historisch correct’ is, of puur intellectueel. De beste kunst helpt je om goed te leven. En maakt dat je je levend voelt.”