Simpele zorg hoeft niet door de buren

Het werk van gezinsvoogden, schuldhulpverleners en maatschappelijk werkers is meestal niet wetenschappelijk onderbouwd, maar dat betekent niet dat de buur het dan moet overnemen, vindt Margo Trappenburg.

illustratie pavel constantin

In 1991 concludeerde de Gezondheidsraad, onder verantwoordelijkheid van toenmalig vicevoorzitter Els Borst, dat de ene arts om allerlei redenen een andere aanpak had dan de andere en dat dit een kostenopdrijvend effect had. De boodschap van dit advies was helder. Artsen moesten geneeskunde bedrijven op basis van wetenschappelijk onderzoek. Dat was goed voor de patiënt die op deze manier de juiste zorg kreeg. Het was ook goed voor de medische professie. Evidence based geneeskunde benoemde precies waar de verschillen lagen tussen dokters en leken of kwakzalvers: dokters hanteren wetenschappelijk onderbouwde methoden. Leken en kwakzalvers doen maar wat. En ten slotte was het goed voor financierende instanties: die konden met dit criterium bepalen welke zorg voor vergoeding in aanmerking zou komen. Onnodige of niet werkzame behandelingen hoeven niet in het pakket.

Evidence based werken werd de norm. Niet alleen in de curatieve gezondheidszorg, maar ook in de verpleeghuiszorg, de zorg voor mensen met verstandelijke beperkingen en in de welzijnssector. Evidence based werken is echter een aanpak met beperkingen. Het is vaak onzinnig in situaties waarin niets helpt. Moet je stervende patiënten wel of geen eten opdringen? Moet je wel of niet gaan volksdansen met demente bejaarden?

Het verzamelen van evidence is duur. Je kunt uitzoeken of een buurtbarbecue leidt tot vriendschap tussen allochtone en autochtone buren, maar dat kost meer dan de hele barbecue. Evidence based werken past niet goed als patiënten lijden aan allerlei aandoeningen tegelijk. Geneesmiddelen worden niet getest op tachtigplussers die hele pillendozen tegelijk moeten slikken. Evidence based of niet is ook niet altijd geschikt om als grens te dienen tussen zorg die wel of niet collectief moet worden vergoed.

De zorg voor ouderen, mensen met beperkingen en de jeugdzorg wordt overgedragen aan gemeenten, die de zorg zo zuinig mogelijk moeten organiseren. Dat resulteert vaak in ongeveer de volgende aanpak: gaat het om evidence based zorg of hulp? Dan kopen we die in bij een zorgorganisatie en laten we de hulp verlenen door een geregistreerde professional met een relevante opleiding. Gaat het om niet evidence based zorg of hulp? Dan kunnen we het overlaten aan de buurt, de familie, of aan minder hoog opgeleide ambtenaren.

Zorgorganisaties en professionele hulpverleners die zich zorgen maken over het lot van hun cliënten, patiënten of bewoners, gaan als reactie op deze aanpak van gemeenten, over tot een tegenstrategie. Ze gaan proberen om zoveel mogelijk te lijken op dokters. Een blindedarmoperatie laten we nooit over aan de buurvrouw; voor een operatie worden ook nooit gemeenteambtenaren ingezet. Ergo: zorg dat jouw hulp de onverbiddelijke overtuigingskracht krijgt van een blindedarmoperatie. Hoewel een wetenschappelijke houding in de hulpverlening goede diensten kan bewijzen denk ik toch dat we – vanwege de eerder genoemde bezwaren tegen evidence based werken – niet moeten doorslaan in die richting.

Een andere manier van denken voor hulpverleners begint met de constatering dat er twee soorten professies zijn. Enerzijds klassieke professies, gebaseerd op zeer gespecialiseerde kennis: arts, accountant, notaris, advocaat. Het werk van klassieke professionals zou je als leek nooit kunnen doen; daar zou je zelf professional voor moeten worden. Anderzijds bescheiden professies: maatschappelijk werker, ziekenverzorgende, gezinsvoogd, schuldhulpverlener. Dat werk kunnen sommige niet-professionals wel doen; ze zouden dit althans kunnen leren. Bescheiden professionals zijn beter in hun vak dan mensen die dat vak niet uitoefenen, maar dat komt omdat onze maatschappij gebaseerd is op arbeidsdeling.

Een strenge gemeente die voluit afkoerst op de participatiemaatschappij zegt tegen burgers: het werk van bescheiden professionals kunnen jullie zelf ook, als jullie je best maar doen en er de tijd voor nemen. Als je er geen tijd voor hebt omdat je een voltijds betaalde baan hebt, verdien je vast wel genoeg om zorg in te kunnen kopen. Als je zelf niet precies weet wat je nodig hebt aan hulp is er familie, een buurman of een vriend die je om raad kunt vragen. In laatste instantie mag je een beroep doen op onze ambtenaren.

Een mildere gemeente zegt tegen de burger: jij zou misschien zelf kunnen leren hoe je moet zorgen voor bejaarden met beginnende dementie. Maar we hebben betaalde ziekenverzorgenden die daar beter in zijn en we snappen dat jij ook een eigen leven hebt. Voor je dementerende moeder regelen wij dus betaalde hulp. Wij doen dat om morele redenen. Zorgtaken zijn oneerlijk verdeeld in de bevolking. We kunnen niet veel doen aan de onrechtvaardigheid van de natuur, maar we kunnen wel proberen om de daaruit voortvloeiende zorgtaken en financiële verplichtingen zo eerlijk mogelijk te verdelen. Een mildere gemeente erkent ook dat burgers zelf niet altijd weten wat voor hulp zij nodig hebben. Zij zorgt dat er wijkteams zijn van bescheiden professionals die naar mensen toe gaan om te kijken wat er speelt en om vervolgens op verstandige wijze hulp te organiseren.

Ik hoop dat ik in een gemeente woon die mild zal zijn voor inwoners met zware zorgverplichtingen. Ik betaal graag belasting en premies zodat mensen die zorg en hulp nodig hebben kunnen worden bijgestaan door bescheiden professionals met een normale baan en een fatsoenlijk salaris. Niet omdat die zorg en hulp door het hen omringende sociale netwerk met geen mogelijkheid kan worden geleverd, of omdat het hier zou gaan om hooggespecialiseerd werk vergelijkbaar met open hartchirurgie. Wel omdat het hier gaat om een verstandige vorm van arbeidsdeling, omdat mensen met zorgbehoevende familieleden ook een eigen leven moeten kunnen leiden.