Roukens’ eclecticisme leidt tot fascinerend amalgaam

Rising Phenix heet de nieuwste compositie van Joey Roukens (1982). Roukens schreef het werk ter gelegenheid van de heropening van TivoliVredenburg. De uit zijn as herrijzende feniks verwijst behalve naar dat muziekpaleis ook naar de wederopbouw van het ‘Palace of Life’, waarvan sprake is in het libretto op teksten van Henry Newbolt en Hermes Trismegistus.

Ook Roukens’ muziek gaat over vernieuwing en transformatie. Rising Phenix heeft twee delen, beide verder opgedeeld in twee helften. Dat zou op een spel met de klassieke symfonievorm kunnen duiden, maar Roukens trekt toch vooral zijn eigen plan. Op het kompas van zijn intuïtie zoekt hij telkens naar een verrassende wending en de grootste uitdrukkingskracht. Laatromantiek, filmmuziek, een vleugje minimal, popachtig beukend slagwerk – Roukens’ eclecticisme is inmiddels notoir, maar het amalgaam van de invloeden die hij verwerkt is veel interessanter dan een inventaris van hun herkomst.

Na de tumultueuze opening neemt Roukens gas terug om in een paar geweldige maten het koor te introduceren: de manier waarop elkaar rap opvolgende inzetten een liggend akkoord opbouwen heeft iets weg van een digitaal geluidseffect. Later neigen de geëxalteerde koorpassages naar bombast en af en toe springt hij erg van de hak op de tak, maar het verveelt geen moment. Prachtig is het warmbloedige tweede deel; een romantische melodie wordt tot bloei gebracht, alvorens in een soort dodenmis te verkeren. En dan begint alles weer opnieuw.