Overrompelend danstalent in Billy Elliot

Knap vakwerk in ‘Billy Elliot', maar grimmige sfeer van mijnwerkerstaking is in Nederlandse musical koddig volkstoneel

Hoogtepunt in dans en enscenering in de Nederlandse versie van de musical Billy Elliot is de confrontatie tussen de politie en stakende leden van de mijnwerkersvakbond. foto Alastair Muir

Billy Elliot is een jaar of twaalf. Hij woont in Noord-Engeland, waar de vakbonden in de jaren 80 heftig in opstand kwamen toen Margaret Thatcher hun macht wilde breken. Maar zelf is hij verslingerd aan dans. En dat komt nogal ongelukkig uit, in zo’n milieu waar dansers al gauw als mietjes worden gezien. Het is dus nog maar helemaal de vraag of zijn vader hem auditie zal laten doen aan de Royal Ballet School.

De Britse film met dit verhaal werd gevolgd door een musical, en die Britse musical wordt nu gevolgd door een Nederlandse versie die gisteravond in première ging. Vakwerk, op een niveau dat een jaar of tien geleden in Nederland nog ondenkbaar leek. Zes jongens spelen beurtelings de titelrol. Carlos Puts, die de première te doen kreeg, toonde een overrompelend danstalent in de zeer verschillende stijlen die Billy Elliot omvat, van klassiek tot tap. En het is uitgesproken prettig te zien dat de productie – in de Engelse regie – niet op het makkelijke succes van de vertedering mikt. Hier danst iemand die weliswaar nog niet volgroeid is, maar wel het vak verstaat. Ook dat van acteur en zanger, trouwens.

Een voornaam bezwaar geldt echter de sfeer die deze voorstelling uitstraalt. In het origineel overheerste de solidariteit met de stakende mijnwerkers, in sociaal-realistische tinten. Hier is die context te vaak veranderd in een koddig soort volkstoneel, een folkloristische poppenkast die de lachers op zijn hand wil hebben. Met als dieptepunt de openingsscène van de tweede helft, waarin het mijnbouwdorp op sjofele wijze Kerstmis viert. Bijvoorbeeld door spichtige (nep)kalkoenen de zaal in te werpen. Dat is niets meer dan effectbejag, en het slaat nergens op.

Zo blijven ook de meeste volwassen rollen eendimensionaal. Bas Heerkens maakt van de tragische vader een brulboei, die pas na de pauze een emotioneel laagje krijgt. En de bitse balletjuf wordt door Pia Douwes gespeeld als een snerpend wijf met weinig warmte. In een klein rolletje als opoe toont Carry Tefsen daarentegen het naturel dat haar handelsmerk is geworden.

Een ander nadeel is dat de musical niet echt de kern van het mijnwerkersconflict raakt. In enkele schrille scènes wordt het politiegeweld getoond, terwijl heel af en toe sprake is van huishoudelijke armoede. Bovendien verving Martine Bijl in haar vertaling het oorspronkelijke Noord-Engels voor een fantasiedialect – een opmerkelijke vondst, met schilderachtige scheldwoorden als „klaplul”, „godsnakend” en „op je stomme donder”. Maar tegelijk doet zulke spreektaal af aan de authenticiteit die Billy Elliot zo sterk maakte. Haar zangteksten, op de nogal routineuze muziek van Elton John, doen meer recht aan de geloofwaardigheid die door Lee Hall, scenarist van film én musical, met zo veel succes werd bereikt.

De show kan in elk geval bogen op een superhecht, veelzijdig ensemble. Dat glorieert onder meer in de beste scène van allemaal – een clash tussen de politiemacht en de vakbondsopstand, waarin tevens de kleine meisjes van het balletklasje meedansen. In die gespierde choreografie worden, als in de beste musicals, minstens twee verhalen tegelijk verteld. Over de twee totaal verschillende werelden die in Billy Elliot zo vaak onverzoenlijk tegenover elkaar komen te staan.