In Europa begint het leven pas echt

In de bossen rond de twee Spaanse exclaves in Marokko, Ceuta en Melilla, houden zich duizenden Afrikanen op. Ze wachten op een kans om met gammele bootjes over zee binnen te komen of om over de hoge hekken te klimmen.

Andy Ebuka uit Nigeria kampeert in een zelfgemaakte tent in de bossen rond de Spaanse exclave Ceuta, aan de Noord-Afrikaanse kust.

De grond ligt bezaaid met afval. In bomen en op zeven zelfgemaakte tenten hangen wat kledingstukken te drogen. Om een bijna uitgebrand kampvuur zitten vijf Afrikaanse jongemannen. Ze wonen hier, diep in het Marokkaanse bos op minstens een uur lopen van de bewoonde wereld. Vanuit het kamp is nog net een stuk van de Spaanse exclave* Ceuta te zien.

„De rest zit nog verstopt in het bos”, zegt Lamin Daboe (27). „Er was vanochtend om zes uur uur weer een inval van de politie.” De Gambiaan begint te lachen. „Maar ze hebben niemand kunnen pakken.” Er wordt verder weinig gepraat, ze laten vooral de tijd verstrijken.

De mannen in het tentenkamp delen hetzelfde lot. Ze gaven alles op wat ze hadden, zijn met een koffer vol dromen de Sahara doorgetrokken, hebben maar één doel: de oversteek wagen . Met ruim dertig man leven ze op zo’n honderd vierkante meter. Alleen al in dit bos zijn tientallen soortgelijke kampen. Volgens recente cijfers van de Marokkaanse autoriteiten zijn er 40 duizend vluchtelingen in het land die naar Europa willen.

Tegen de middag maken de mannen, voornamelijk twintigers, zich klaar. Ze moeten „aan het werk”. Dat wil zeggen: ze gaan afdalen naar de autoweg die de Marokkaanse havenstad Tanger met Ceuta verbindt om te bedelen bij voorbijgangers.

Seydou Kenid (20) uit Guinee-Bissau blijft met de honden achter in het kamp. „Hij voelt zich niet zo goed”, fluistert Daboe. Het rechteroog van Kenid zit dicht: hij is onlangs te grazen genomen door de politie toen hij Ceuta via zee probeerde te bereiken. Kenid laat nog een groot litteken op zijn hoofd zien, maar wil verder niet praten.

De wandeling gaat door het dichtbegroeide bos, over riviertjes en hekken, hellingen op, heuvels af. Een uur lang. Halverwege wordt even gepauzeerd en water gedronken.

De beboste omgeving met heuvels, bergen en Middellandse Zee op de achtergrond is prachtig. Daar hebben ze heus nog oog voor, zeggen ze.

Een Marokkaanse herder met zijn geiten en honden komt voorbij. De begroeting is amicaal, handen worden geschud. Als hij weg is, zegt Andy Ebuka (29) uit Nigeria: „Soms waarschuwt hij als de politie in het bos is, maar hij heeft ons ook weleens verraden.”

Als ze langs de weg staan, steken de mannen bij elke auto hun hand op of brengen een hand naar hun mond alsof ze eten. Af en toe stopt iemand en krijgen ze een tas met brood of rijst, soms wat geld. Vaker nog staan ze er urenlang zonder dat iemand vaart mindert. Altijd zijn ze op hun hoede voor de politie en staan ze klaar om het bos in te vluchten.

Met de agenten wordt dagelijks een vreemd soort kat-en-muisspel gespeeld. De vluchtelingen worden opgejaagd. Als de politie ze pakt, worden ze meegenomen. Vaak worden ze dezelfde dag al vrijgelaten. Soms worden ze naar een andere stad of afgelegen stuk bos gebracht, zodat ze het hele eind terug moeten lopen.

Dan gaan de gesprekken over hun toekomst. William wil in de bediening werken, liefst ergens in Scandinavië. „In Nederland heb je toch ook blonde vrouwen? Dan is Nederland ook goed.” De Malinees lacht.

Yusupha Gai (19) droomt ervan in Europa door te breken als kunstenaar. Hij schildert, het liefst abstract. „Maar ik kan ook portretten maken.” Een vriend uit zijn thuisland Gambia was het binnen een paar maanden gelukt via Marokko naar Europa te komen, dus hoe moeilijk kon het zijn? Hij moet erom lachen, want hij heeft in het jaar dat hij hier zit zeker acht pogingen gewaagd.

Er zijn steeds meer vluchtelingen die niet eens meer kunnen tellen hoe vaak ze het hebben geprobeerd. Waar Noord-Afrika een tussenstation moest zijn, lijkt het voor velen vaker eindhalte.

Voor Nomo (34) uit Kameroen bijvoorbeeld. Hij hangt al vier jaar rond in Marokko en is nog niks opgeschoten. Ook Daboe zit er al twee jaar. Hij wordt er af en toe moedeloos van. Hij overweegt naar Libië te vertrekken om vandaar met de boot naar het Italiaanse eiland Lampedusa te varen. Dat schijnt gevaarlijker maar makkelijker te zijn, weet hij.

„Kom op, dit is toch ook geen leven. Ik wil gewoon naar Europa. Dan heb ik hier rust.” Daboe wijst naar zijn hoofd. „Als ik daar ben, dan begint mijn leven pas echt.”