Hoe kunstgras het voetbal veroverde

Morgen vergaderen de clubs over een verbod in de eredivisie.

Voetbalplezier op z’n puurst, afgelopen zaterdagmiddag op Rotterdam-Zuid. Aan de ene kant het Zuiderpark, aan de andere kant de flats aan de Oldegaarde. Daartussenin het kunstgrasveld waarop de jongste jeugd van thuisclub Spartaan’20 deze middag tegen TransvaliaZW voetbalt.

Over kou hoor je ze niet zeuren. Ze sprinten in hun korte broek over het kunstgrasveld. Na afloop gaat de F-jeugd van Spartaan’20 hand in hand naar de zijlijn, richting hun ouders. Weekend geslaagd, na een 5-4 zege.

De ventjes spelen niet zomaar op een voetbalveld. Hier werd in 1986 het eerste kunstgrasveld in het Nederlandse voetbal aangelegd, vertelt Ed Goverde van Spartaan’20, destijds secretaris bij de club.

Beladen

28 jaar later is kunstgras een beladen onderwerp in de Nederlandse voetbalwereld. Morgenmiddag zal Feyenoord in de algemene vergadering van het betaald voetbal een voorstel indienen voor een kunstgrasverbod in de eredivisie, zo meldde het AD onlangs. In de eredivisie spelen dit seizoen zes clubs op nepsprieten; in de eerste divisie twaalf.

Profvoetbal hoort op echt gras, stellen de romantici. Onzin, zeggen de clubs met nepgras: deze innovatie is niet tegen te houden en kunstgras is zo ontwikkeld dat het net echt gras lijkt.

Het is een discussie waar je niet snel uitkomt. Hoe kwam het zover? Hoe veroverde het kunstgras het Nederlandse voetbal? Inmiddels liggen er door heel Nederland ruim 1.550 kunstgrasvelden bij amateurclubs, in 2003 waren het er nog 150. En de groei zet door, naar verwachting met 150 per jaar.

Voor de prille doorbraak van voetbalkunstgras moet je bij Spartaan’20 zijn. De amateurclub had in de jaren tachtig een probleem: de drie grasvelden werden te intensief bespeeld door de 600 leden, vertelt Goverde. Gevolg: de velden werden slecht, het gras verpieterde langzaam. „Tegen de winter waren de velden kaal.” Veel wedstrijden werden noodgedwongen afgelast.

Meer clubs hadden hetzelfde probleem als Spartaan’20. Daar probeerde de gemeente Rotterdam een oplossing voor te vinden. Spartaan’20 werd uitgekozen voor een proef met een kunstgrasveld. Op 18 oktober 1986 werd het veld geopend met een partijtje tussen de gemeenteraadsleden en de Rotterdamse sportpers. De totale veldkosten: 860.000 gulden.

Het concept was afgekeken vanuit het hockey, waar ook op kunstgras wordt gespeeld. ‘De zandbak’, zo werd het veld genoemd bij Spartaan’20. De bovenlaag was opgevuld met zand. „De kwaliteit was onvergelijkbaar met de huidige generatie kunstgrasvelden”, zegt Goverde. Als je een sliding maakte, had je kans op een forse schaafwond.

De Rotterdamse club werd een trekpleister. Iedereen wilde kennismaken met het kunstgras, van Ajax tot de voetbalbond van de Faeröer Eilanden. Maar de grote hype kwam pas de afgelopen tien jaar, toen de kunstgrasvelden steeds beter werden.

Gemeentes en amateurclubs zagen de voordelen: het hele jaar kan er op gevoetbald worden. En het onderhoud is minimaal. De investeringskosten zijn hoog, voor een goed kunstgrasveld betaal je tegen de 400.000 euro. Het veld gaat doorgaans acht tot tien jaar mee.

In het profvoetbal moesten ze er lang niks van hebben. Tot Jan Smit, de voorzitter van Heracles Almelo, in 2003 met het idee kwam. Smit had een probleem. Het gras in zijn nieuwe stadion groeide niet goed. „Het was een soort woestijn.” Ten einde raad liet de club 200.000 pieren in het veld woelen. Smit: „Dat moest voor meer lucht zorgen.” Het veld bleef dramatisch.

Dan maar kunstgras. Heracles, toen nog spelend in de eerste divisie, moest eerst de voetbalbond KNVB overtuigen. Het romantische bezwaar was het grootst, zegt Henk Kesler, toenmalig directeur betaald voetbal bij de KNVB. „Het ruikt niet naar echt gras. En de bal stuit niet hetzelfde.” Maar Kesler was vrij snel overtuigd, vertelt hij. „Waarom zou je een ontwikkeling stoppen die niet tegen te houden is?”

De KNVB en de profclubs gaven hun goedkeuring, Heracles mocht op kunstgras spelen. 1 augustus 2003 werd het eerste duel op het nieuwe veld gespeeld.

Showroom

Commercieel was het een goede deal voor Heracles. De leverancier van het kunstgras was Ten Cate, kort daarop werd de Nederlandse multinational ook hoofdsponsor van de club. Het stadion van Heracles werd op die manier de showroom van Ten Cate: geïnteresseerde clubs werden rondgeleid op het veld, vertelt Martin Olde Weghuis, toenmalig manager research en development bij Ten Cate.

De afgelopen jaren volgden veel profclubs. Zelfs Sparta, de oudste club in het betaald voetbal ging deze zomer over. Het scheelt veel onderhoudskosten, zeggen de clubs. En het stadion wordt zo het middelpunt: het veld hoeft niet langer gespaard te worden voor wedstrijden, er kan nu dagelijks getraind worden. Voorheen gebeurde dat op een veld buiten het stadion.

„Het is een beetje hetzelfde als de iPad”, zegt Olde Weghuis van Ten Cate. „Als het er niet is, mis je niks. Maar nu kan je niet meer zonder.”