Hockey, dat kan vast commerciëler

Het was lange tijd ‘tegen de clubcultuur’, maar ook bij hockeyclub Kampong krijgen spelers nu betaald – dat moet als je bij de top wilt horen. Maar het is niet zo dat de euro’s over de tafel vliegen, zegt voorzitter Kees Rovers.

Kees Roovers, voorzitter van hockeyclub Kampong en jurist in het dagelijks leven. Foto Merlijn Doomernik

Spelers betalen, talenten ‘halen’ met auto’s en bonussen. Kampong wilde er nooit aan. De cultuurdragers van de Utrechtse hockeyclub zagen er weinig in. En zij – clubiconen als André Bolhuis, Paul Litjens en Tom van ’t Hek – vonden dat zij met hun successen in het verleden ook recht van spreken hadden. „Dat hebben we jarenlang met lede ogen aangezien”, zegt Kees Roovers, voorzitter van Kampong en in het dagelijks leven jurist. „We hebben in het bestuur gezegd: we willen meedoen in de top. Maar dat gaat niet vanzelf: we zullen moeten investeren.”

Vier, vijf jaar geleden besloot Kampong mee te doen met de professionaliseringsslag in het hockey. De mannen waren in 2005 al eens gedegradeerd, dat was een hockeyinstituut als Kampong onwaardig. Want Kampong is groot, met ruim drieduizend leden zelfs de grootste hockeyclub ter wereld. Kampong is een ‘oermerk’ dat zijn status ontleent aan massa, uitstraling en dik honderd jaar historie. Minder aan recente prestaties.

Als topclub heb je geen keuze

Volgens Roovers was er eigenlijk geen andere keuze. „Natuurlijk kun je een brede vereniging zijn. Hockey met een biertje. Niks mis mee, maar het is de cultuur van Kampong die zegt: wij zijn een roemruchte club, wij horen in de top thuis. We wilden niet langer opleidingsinstituut voor andere clubs zijn.”

Door te investeren heeft Kampong de exodus van talent kunnen stoppen. Want voorheen kwam half Bloemendaal uit de jeugdopleiding van Kampong. „Spelers willen succes, naar een WK of de Spelen. Ze willen een kans maken om in het Nederlands elftal te komen. De perceptie van spelers is dat je dan in een kampioensteam moet spelen. Dus hockeyers spelen daar waar de internationals zitten.”

Het is eind november en langzamerhand daalt de rust neer over de hockeyvelden in Utrecht-Oost; het is winterstop bij de senioren, de hockeyers gaan de zaal in. Op bestuurlijk vlak kan Roovers wel een adempauze gebruiken. Alarmerende publiciteit over de financiën overschaduwde even het succes van de mannen, die tweede staan en dit seizoen pas één keer hebben verloren. Kampong zou de spelers niet meer kunnen betalen. „Onzin”, zegt Roovers. „We komen alle contracten na.” In het tophockey is de gekte alweer voorbij, stelt hij. „De wal heeft het schip gekeerd. Alle clubs zijn bezig de budgetten omlaag te duwen. De tijden dat de euro’s over tafel vlogen zijn echt voorbij.”

In de topteams van Kampong gaat circa zeven ton om, 450.000 euro voor de mannen en 250.000 voor de vrouwen die ook hoofdklasse spelen. Roovers: „Bij de mannen liggen de salarissen gemiddeld tussen de 1.500 euro voor de jonkies en 35.000 (bruto) voor de internationals. En dan hebben we nog twee spelers van de buitencategorie. Eén van hen zit rond de 70.000 euro, de ander iets lager. Die zijn het waard om dat te krijgen, maar vallen buiten het salarismodel.”

Wie het zijn? Internationals Robbert Kemperman, Constantijn Jonker, Sander de Wijn? Roovers resoluut: „Ik noem geen namen.” Bij de vrouwen van Kampong komen de salarissen gemiddeld tussen de 1.500 en 20.000 euro uit. Daar even geen buitencategorie. De leden hebben de topsport geaccepteerd, zegt Roovers. „We werken hard aan de verbinding tussen onze topteams en de breedtesporters. We hebben een buddysysteem opgezet, waarbij de topspelers een jeugdteam adopteren en een paar keer per jaar een training doen. Zo hebben we helden gecreëerd, dat werkt enorm goed.”

Tophockey commerciëler maken

Ook de toestroom van buitenlandse vedetten lijkt te verminderen, hoewel Kampong in de zomer nog de Belgische international en cornerkanon Loïck Luypaert aantrok. Maar die komt niet van ver. „Het probleem met buitenlanders is niet alleen het salaris, maar ook de huisvestingskosten. Ze willen drie keer per jaar naar huis en ze moeten af en toe terug naar hun nationale team. Die kosten killen je gewoon. Wij zoeken het liever bij onze eigen jeugd.”

Het salarisgebouw blijft kwetsbaar, een plotselinge tegenvaller in de sponsoring kan alles aan het wankelen brengen. Zo raakte Kampong in de zomer 85.000 euro sponsorgeld kwijt (het sponsorbudget is nog altijd bijna een half miljoen euro). Vandaar dat Kampong spelerscontracten afsluit voor één of twee jaar. Rabobank is nog twee jaar hoofdsponsor van de club en kan tussen de grootmachten van ABN Amro – clubs als Amsterdam, Oranje Zwart, Rotterdam en Bloemendaal – best een succesje gebruiken.

Hoe valt er ooit genoeg geld met hockey te verdienen om de topsport rendabel te maken? Johan Wakkie, de recentelijk vertrokken directeur van hockeybond KNHB wist het antwoord wel: ‘Nooit’. Kampong is eigenzinnig, zegt Roovers, en denkt het tophockey commercieel te kunnen uitbaten. „Een model met tv- en entreegelden heeft toekomst.” Er is al Kampong-tv met livestream reportages van het eerste. „We hadden laatst een heel mooi tiki-taka-doelpunt. Dat is 80.000 keer op Facebook bekeken. Daar moeten we zakelijk iets mee kunnen doen.”

Voor recettes moet er nog een taboe worden geslecht. De hockeybond staat niet toe dat er entree wordt geheven, behalve in de play-offs. „We gaan het gewoon aan de bond vragen. Laten we beginnen met een kaartje van bijvoorbeeld 2,50 euro, alleen voor de tribune. Maar als de leden zeggen ‘dit willen we niet’, dan houden we ermee op.”