Het syndroom van de politieke verslaving

In Frankrijk is het bijna traditie dat ex-presidenten het weer proberen. Ook elders acht(t)en politici zich onmisbaar.

Nicolas Sarkozy is – zoals meer politici - overtuigd van zijn eigen onmisbaarheid voor Frankrijk. „Ik heb geen keus”, verklaarde de oud-president een paar maanden geleden plechtig bij de aankondiging van zijn rentree in de politiek. Als zijn missie ziet hij het om het tobbende Frankrijk van de ondergang te redden. Zaterdag nam Sarkozy een eerste horde op weg naar een hernieuwd presidentschap: hij won de leiderschapverkiezingen van zijn partij, de UMP. Met minder stemmen echter dan tien jaar geleden (64 procent nu, toen 85 procent). En het is ook hoogst twijfelachtig of een meerderheid van de Fransen een terugkeer van de door schandalen achtervolgde Sarkozy in 2017 zou steunen.

Enorme ego’s

Sarkozy is bepaald de eerste Franse politicus niet die een comeback ambieert. Je kan zelfs betogen dat die traditie al met Napoleon begon, die na zijn eerste verbanning in 1814 doodleuk de macht weer greep en bij Waterloo ten tweede malen verslagen moest worden, voor hij het hoofd in de schoot legde.

Het Franse dagblad Le Monde sprak dit weekeinde zelfs van „een nationale sport”. De traditie van de comeback heeft volgens de krant te maken met de enorme ego’s van de leidende politici en het feit dat de Franse politiek danig is gepersonaliseerd. De leider is belangrijker dan zijn of haar partij. Ook niet onbelangrijk: het Franse publiek is er gevoelig voor. Het geniet van het succes én het verlies van de matadoren. Ook een ogenschijnlijk eeuwige tweede als François Mitterrand die tenslotte toch nog president werd, sprak tot de verbeelding. Dit wordt wel het Poulidor-effect genoemd, naar de geliefde Franse wielrenner Raymond Poulidor die steevast tweede werd.

Churchill in de woestijn

Exclusief Frans is de comeback allerminst. Ook het buitenland kent er spectaculaire voorbeelden van, nu eens geslaagde dan weer pijnlijke echecs. Zo leek de politieke loopbaan van Winston Churchill eind jaren dertig na tal van hoogte- en dieptepunten – verschillende keren moest hij aftreden als minister – definitief voorbij. Maar zijn ‘finest hour’ moest nog komen. Toen Hitler met zijn inval in Frankrijk in mei 1940 de onzinnigheid van Neville Chamberlains appeasement aantoonde, werd Churchill alsnog premier. Meteen na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij zich had ontwikkeld tot oorlogsheld nummer één, stemden de Britten echter massaal op Labour, dat de kiezers meer had te bieden dan de uitgeputte Conservatieven.

Zo belandde Churchill in de politieke woestijn. „Ondankbaarheid jegens grote mannen is een kenmerk van sterke volken”, zo citeerde Churchill de Griekse geschiedschrijver Plutarchus in een brief van kort na dat electorale fiasco van juli 1945 aan de Franse leider Charles de Gaulle. Een gedachte die zonder twijfel ook de Franse generaal moet hebben aangesproken. Die trad enkele maanden later af omdat hij niet kon leven met een zijns inziens verkeerde grondwet.

Maar zowel De Gaulle als Churchill kreeg een herkansing. Voor De Gaulle pakte die glorieuzer uit dan voor Churchill. In 1958, toen Frankrijk zich geen raad meer wist met de Algerijnse crisis, werd De Gaulle weer van stal gehaald. En nu kreeg hij als president de macht die hij in 1946 ook al had gewild. Hij loste de Algerijnse crisis soepel op en bleef vervolgens elf jaar aan het bewind, van harte gesteund door de dankbare Franse kiezers.

Churchill won in 1951 nog een keer de verkiezingen. Maar een succes werd zijn premierschap niet. Hij werd getroffen door een beroerte. Kenmerkend voor hem – maar ook andere aan de macht verslingerde leiders zouden zo gereageerd kunnen hebben – was dat hij, half verlamd, met nauwelijks hoorbare stem tegen zijn arts prevelde. „Ik heb het gevoel dat ik iets kan doen wat niemand anders kan. Ik denk dat ik de wereld een nieuwe koers kan geven.” Churchill kwam weer op de been en bleef nog tot 1955 aan maar de glans was ervan af.

Nixons ‘laatste’ persconferentie

Ook in de VS Staten doet zich het fenomeen van de comeback voor. Het wekt daar veelal positieve associaties op. Reden ook waarom Bill Clinton – groot kenner van de Amerikaanse ziel – zichzelf in 1992 triomfantelijk als ‘comeback kid’ bestempelde toen hij ondanks een seksschandaal een tweede plaats wist te bemachtigen bij de voorverkiezingen in New Hampshire. En daarmee bleek de weg naar het Witte Huis open te liggen.

Een andere beroemde comeback was die van de Republikein Richard Nixon. Zwetend voor de camera’s had ‘Tricky Dick’ in 1960 het pleit net verloren van de veel onervarener John Kennedy. Na ook verloren Californische gouverneursverkiezingen kondigde hij in 1962 zijn vertrek op een persconferentie aan op de van hem bekende bittere wijze. „Denk er eens over na hoe jullie mij nog gaan missen”, zei hij. „Straks hebben jullie Nixon niet meer om tegen aan te schoppen, want dit, heren, is mijn laatste persconferentie.”

Zes jaar later won hij alsnog de race om het presidentschap, met verwijzingen naar zijn ervaring, betrouwbaarheid en zijn bewering namens de zwijgende meerderheid te spreken. Weer zes jaar later moest hij het Witte Huis, met pek en veren verlaten wegens het Watergateschandaal.

Dwangmatigheid

De begerigheid waarmee veel politieke leiders ook na de meest verpletterende nederlagen blijven streven naar een nieuwe ambtsperiode blijft opmerkelijk. Wie eenmaal heeft geroken aan de macht lijkt daaraan voorgoed verslaafd geraakt. Ook bij de in 2012 smadelijk weggestemde Sarkozy lijkt dat – ondanks zijn altruïstische retoriek – een grote rol te spelen. De Franse televisiejournalist Elise Baudouin sprak in dit verband van een „dwangmatig comeback syndroom”. De vraag is of de Fransen hun land een betere dienst bewijzen door ‘Sarko’ zijn zin te geven of hem af te wijzen.