De eerste snorders

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Vanwege de concurrentie tussen gevestigde taxibedrijven en het internetbedrijf Uber staat het woord snorder opeens ongewoon vaak in de krant. Een snorder, zegt de Grote Van Dale, is „een illegale taxichauffeur die rondrijdt om een vrachtje op te doen”. Uber is niet illegaal, maar een Amerikaans bedrijf dat onder meer privéchauffeurs en klanten via een app met elkaar in contact wil brengen.

Volgens onze woordenboeken dateert het woord snorder uit de jaren dertig van de 20ste eeuw. Ook toen heerste er een felle strijd tussen officiële en illegale taxibedrijven – waarover zo meer –, maar snorder stamt niet uit de tijd van de auto’s maar uit die van de huurrijtuigen. Al in een almanak uit 1847 vinden we regels voor toelating van rijtuigen op de pleinen voor de treinstations in Amsterdam en Den Haag. Een bepaling luidt: „Geene zoogenaamde snorders (...) worden binnen het afgesloten terrein toegelaten.”

Een andere regel stelt overigens dat koetsiers de reizigers „met de meeste bescheidenheid” moeten behandelen, kennelijk was dat ook toen niet vanzelfsprekend.

Het woord snorder gaat terug op het Jiddische sjnorrer, dat ‘bedelaar’ betekent. Het werd in de 19de eeuw zowel voor het huurrijtuig als voor de bestuurder ervan, de huurkoetsier, gebruikt.

Wie denkt dat veel stadsverkeer en te hard rijden een plaag is die ontstond in de 20ste eeuw, vergist zich. Al in 1852 lezen we over problemen in Den Haag die werden veroorzaakt door „de honderden rijtuigen” die „bovenmatig hard draven”. Zogenoemde „gestationeerde rijtuigen” behoorden meestal toe aan een maatschappij. Die verhuurden hun rijtuigen, die goed werden onderhouden, aan een koetsier; de huurprijs hing af van de standplaats. De ritprijs lag vast – die werd bepaald door het stadsbestuur.

De snorder had geen standplaats, maar reed rond, meestal in een krakkemikkig rijtuig voortgetrokken door „afgeleefde knollen” of „kreupele paarden”. Althans, zo beschreef Justus van Maurik het in 1888 in het verhaal ‘Dirk de snorder’. „Hij neemt wat hij krijgen kan”, aldus Van Maurik, „zonder zich aan een tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets, dan hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te snorren.”

Vooral bij uitgaansgelegenheden waren veel snorders te vinden. In verband met de openbare veiligheid werden er zogenoemde „brigadiers van het voerwezen” aangesteld. Maar „om de straf die op de overtreding is gesteld”, schamperde een krant al in 1865, „bekreunen de voerlieden zich niemendal; integendeel, ze zeggen: ‘Met een paar dagen zitten zijn we er af, dan rusten we eens lekker uit.’ Honderden zijn er reeds bekeurd en het helpt minder dan niets. (...) Hoe meer de snorders verdienen, hoe onhandelbaarder ze zijn.”

Dat het publiek – tuk op goedkope ritjes – aan de kant van de snorders stond, bleek onder meer in 1933, toen de politie in Amsterdam snorders wilde controleren, in de zoveelste ronde in de strijd tussen legale en illegale taxibedrijven. Het publiek koos de kant van de snorders. De agenten werden met stenen bekogeld en zó in het nauw gedreven dat zij diverse charges moesten uitvoeren. De kranten stonden er indertijd vol van.