Zorgzame gier wacht op zijn kans

Elke dag gaan er dieren dood. Wasbeertjes, giraffes, bizons, eekhoorntjes. Wat zouden al die dode dieren stinken, als niemand ze zou opruimen.

Gelukkig zijn er gieren. Dat zijn de vuilnismannen van de natuur. Gieren zijn aaseters. Dat betekent dat ze dode dieren eten, zonder ze zelf dood te maken.

Als gier moet je daarom soms even wachten voordat je eten kan. De zwarte gier uit Zuid-Amerika hangt vaak rond bij de capybara’s. Dat zijn een soort groot uitgevallen cavia’s.

Tussen twee maaltijden door pikt de gier de teken uit de vacht van de capybara. Dat zijn bloedzuigende insecten waar een capybara last van heeft. Het beest gaat op zijn zij liggen terwijl de gier zijn werk doet.

De gier heeft wat te eten en de capybara krijgt een gratis schoonmaakbeurt. Iedereen gelukkig!

De zwarte gier pikt ook wonden van de capybara schoon. Alle dode stukjes vlees pikt hij eruit. En als hij net iets te enthousiast in een stuk levende capybara pikt, schudt de capybara met zijn lijf. „Afblijven!”

En tja, als de capybara op een dag doodgaat, dan is het echt feest natuurlijk. De capybara schudt niet meer. Zijn lijf is nu voor de gier.

De ogen gaan er het eerste aan. De gier kan er makkelijk bij. Pik, slik en weg is het oog.

Daarna begint het echte werk. De huid is stevig, harig en taai. Daar scheurt een zwarte gier niet zomaar doorheen.

Hij zoekt liever een bestaande opening. Het poepgaatje bijvoorbeeld. Ingewanden kan hij er zo uit peuteren.

Je begrijpt wel dat dit een smerig klusje is. Vaak zit er nog een beetje poep in de darmen. En in een rottend lijk zitten sowieso veel bacteriën.

Gieren hebben daarom een ijzersterke maag. Die is ontzettend zuur. De meeste bacteriën gaan er dood.

En toch leven er lijkbacteriën in de darmen van de gier. Biologen hebben dat nu gezien. Ze denken dat die bacteriën de gier helpen om het vlees te verteren. Zo helpt iedereen elkaar.