Winst is echt niet alles

Laatst was minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) bij het tv-programma De wereld draait door. Daar zette hij een viertal onderzoekers in het zonnetje die verantwoordelijk zijn voor baanbrekende vindingen. Ter inleiding lepelde Kamp een praatje op over het belang van innovatie. „Innovatie hebben we nodig voor onze toekomstige welvaart. Dat doen we met technologieën en technieken waarin we beter zijn dan andere landen. Als we dat voor elkaar krijgen, kunnen we onze producten verkopen en ons geld verdienen.”

Er volgde een filmpje met een aantal voorbeelden van eerdere Nederlandse innovatie-iconen. Men neme de telescoop, zoals bekend bedacht om financieel een slag te slaan. Of de Deltawerken, ook zo’n project dat ten doel had de economie een slinger te geven.

De nieuwe iconen betroffen onder meer stamcelonderzoek ten behoeve van de behandeling van kanker, een hybride aardappel die een potentiële remedie is voor grote voedseltekorten en een oplosbare naald die kan voorkomen dat in ontwikkelingslanden fouten worden gemaakt met niet-steriele naalden.

Ik kan me niet voorstellen dat gewin de voornaamste drijfveer van de bedenkers was. Maar Henk Kamp wel, die op nationale televisie niet verder komt dan de taal van het kapitaal. Zeg maar, dé kapitaal.

Henk Kamp is niet achterlijk. Waarom dan die simplistische benadering? Betere vraag: waarom keek niemand aan tafel ervan op? Meer dan een handvol intelligente mensen en niet eentje die zegt: „Nou, meneer Kamp, er bestaan andere belangen.”

De scène deed me denken aan iets wat ik een tijdje terug las. Aan de Amsterdamse Zuidas lagen schooltuintjes in de schaduw van peperdure hoofdkantoren. Omdat de grondprijs de pan uitrees, zou het niet langer houdbaar zijn de schooltuintjes te handhaven. Ze moesten wijken voor de uitbreiding van de Zuidas.

Maar was de grondprijs van die schooltuintjes werkelijk zo hoog? Mis. Die grond heeft pas een economische waarde op het moment dat besloten wordt de grond op de markt te brengen. Grond die niet verhandelbaar is, heeft een waarde die niet in monetaire termen kan worden uitgedrukt. Zoals ook een interim-manager die 200 euro per uur ‘schrijft’ niet 1600 euro in zijn oma heeft geïnvesteerd als hij een dagje bij haar op bezoek gaat.

„Language is a virus”, zei William Burroughs al, en we hebben onszelf besmet.

Doordesemd van de logica van het kapitaal zijn we vergeten dat ze niet onverkort op elk aspect van de samenleving toepasbaar is. Alles wat weerloos is tegen de lingua franca van deze tijd, raakt zo in verdrukking.

Ziedaar ook het probleem van links. De kracht van het neoliberale kapitalisme is de aanlokkelijke eenvoud van haar taal. Dingen kosten iets en dingen leveren iets op, de enige moraal is die van het geld. Het is het 1+1=2-niveau van spreken over de wereld. Iedereen kan het begrijpen en het lijkt net alsof je er alles mee kan beschrijven.

Links is onmachtig geworden, omdat ze de taal van de rivaal heeft omarmd, terwijl er een genuanceerdere tegentaal ontwikkeld had moeten worden.

Het is alsof je het als dammer opneemt tegen een schaker en je ervan hebt laten overtuigen dat er maar één spel bestaat: schaken.

Er valt alleen duidelijk te maken dat markten slechts een onderdeel van ons leven zijn, als we ophouden dat hele leven te beschrijven in de terminologie van de markt. Daarin heeft niet alleen politiek een rol. Schrijvers beschikken bij uitstek over het instrumentarium om de taal, en daarmee onze perceptie van de werkelijkheid, te veranderen. Ik zeg niet dat ze dat moeten doen – schrijvers moeten vooral hun eigen thema’s kiezen en hun eigen stem volgen – maar ik zie daarin wel een uitdaging aan mezelf.

De taal die we spreken, bepaalt de reikwijdte van ons denken. Alleen door onszelf andere manieren van spreken aan te leren, kunnen we onszelf deprogrammeren en de ontwrichting van samenlevingen tegengaan.