Wij en onze krijgsmacht

Tekst Hans Steketee, foto’s Peter de Krom

Het Arsenaal, de grootste tentoonstellingshal in het nieuwe National Militair Museumop de voormalige luchtmachtbasis Soesterberg

Ik ben een arts in het leger van de Prins van Oranje en krijg een gewonde Spaanse soldaat op mijn behandeltafel. Wat doe ik, vraagt de arts. Laten kreperen, of me aan de eed van Hippocrates houden met de kans dat hij later weer tegen ons vecht?

Of: ik leid een patrouille op Java en word door een sluipschutter vanuit een kampong onder vuur genomen. Het is 1947. Wat doe ik, vraagt de patrouilleleider. De kampong in om de schutter te zoeken, met de kans dat hij mijn mannen treft? Of mortiervuur erop, met de kans op onschuldige doden? Je mag het zeggen.

Ik toets: de mortieren. „We zien de granaten inslaan”, zegt de soldaat. „Daarna gaan we het dorp in. We vinden een dode vrouw. Of we de schutter hebben geraakt, weet ik niet.”

De aanraakschermen die je zulke dilemma’s voorschotelen, zijn gemonteerd in kleine, bijna knusse zitjes, maar je staat er oncomfortabel weer uit op. Als ze een ding duidelijk maken, is het dat dit geen gewoon militair museum wil zijn.

Ja, in het fonkelnieuwe Nationaal Militair Museum (NMM) in Soesterberg, dat op 11 december door koning Willem-Alexander wordt geopend, kun je je vergapen aan duizend bommen en granaten. En aan de kanonnen en vliegtuigen die ze door de eeuwen heen bij de vijand hebben bezorgd. Aan het Nederlandse vaandel dat nog bij Waterloo heeft gewapperd. Aan sabels, harnassen en insignes. Kinderen mogen een karabijn optillen om te voelen wat een wapen weegt. „Maar dit museum wil ook voorbij het object kijken”, zegt Hedwig Saam, de kersverse NMM-directeur, die op 1 november overstapte van Museum Arnhem.

Militaire keuzes zijn niet altijd zwart-wit. Goed en fout, succes en nederlaag kunnen vlak bij elkaar liggen in de banale werkelijkheid van de oorlog. Voorbij het object – daartoe horen ook de tientallen persoonlijke verhalen, ook die uit minder heroïsche, of zelfs abjecte episodes uit het Nederlandse militaire verleden.

Het NMM-gebouw van zwart metaal en groen glas, langs de startbaan van de voormalige vliegbasis Soesterberg, heeft 106 miljoen euro gekost en lijkt inderdaad nog het meest op een luchthaventerminal. Hier zijn de collecties samengevoegd van het Legermuseum in Delft en het Militaire Luchtvaartmuseum, dat in Soesterberg aan de andere kant van de A28 was gevestigd. Beide musea sloten vorig jaar en werden ondergebracht in een nieuwe Stichting Defensiemusea. Met de drie andere Nederlandse militaire musea: het Marinemuseum in Den Helder, het Mariniersmuseum in Rotterdam en het Marechausseemuseum in Buren (Gld). Die blijven op hun huidige locatie, maar moeten zich wel voegen in de nieuwe organisatie. En dat zal in toenemende mate ook inhoudelijk zijn.

De eigen cultuur van de vijf krijgsmachtonderdelen vertaalde zich vanouds in een eigengereide koers van ‘hun’ musea. „Ik moet ervoor zorgen dat ze de samenwerking niet betreuren”, zegt Paul van Vlijmen met een diplomatieke glimlach. Hij is sinds 1 november directeur van de Stichting Defensiemusea. De dagen dat de vijf zich eerder ‘historische toonkamer’ dan ‘publieksmuseum’ konden voelen zijn voorbij. Maar hij moet ook voorkomen dat de hoofdvestiging in Soesterberg ‘een koekoeksjong’ wordt, dat de andere drie overvleugelt.

Van Vlijmen was 25 jaar directeur van het Spoorwegmuseum in Utrecht. Zijn overstap is geen toeval. Van een museum voor treintjesgekken groeide het dankzij een nieuwe opzet in ‘belevingswerelden’ uit tot een publiekslieveling met bijna 400.000 bezoekers per jaar. Het NMM, dat hij al een jaar adviseert, heeft vergelijkbare ambities. „Maar het moet geen pretpark worden”, zegt Van Vlijmen. „Alles moet historisch kloppen, en educatie hoort altijd op de bagagedrager van het vermaak te zitten.”

NS, hoofdsponsor van het Spoorwegmuseum, is net als de krijgsmacht een groot bedrijf met belangen in de samenleving. En gevoeligheden. „Nee, over zelfmoord langs het spoor heb ik nooit een tentoonstelling gemaakt”, zegt Van Vlijmen. „Maar wel over de Jodentransporten door de spoorwegen. Ik heb de randen altijd opgezocht en dat gaan we hier ook doen. Ik kan niet tegen weinig bezoekers, maar het mag ook weer niet te leuk worden.”

Het plan voor een Nationaal Historisch Museum, gelanceerd vanuit de politiek, zou uiteindelijk sneuvelen na jaren strijd over een locatie, financiering en de inhoudelijke ‘canon’. De zakelijke herverkaveling en het besluit om het NMM in Soesterberg te bouwen zorgden nauwelijks voor politieke herrie. Voor Defensie en de specialisten in de Kamer betekende het immers vooral een zorg minder.

Ook inhoudelijk kreeg het NMM geruisloos vorm. Een groep conservatoren werkte samen met Amsterdamse ‘tentoonstellingsarchitecten’, bureau Kossmann.dejong, het concept tot in detail uit. NMM-directeur Saam (54) en stichtingsdirecteur Van Vlijmen (60) stapten pas deze maand in, toen de opstelling al klaar was. Toch is het NMM geen particulier museum, maar voor vele miljoenen gefinancierd uit publieke middelen. Hoofdtaak is een breed publiek „de verbindingen tussen krijgsmacht en samenleving te tonen”. Toch heeft de politiek niet de vraag gesteld: hoe ziet zo’n militaire ‘canon’ van Nederland er dan uit? Misschien zegt het wel iets over de mate waarin krijgsmacht en de Nederlandse samenleving zich daadwerkelijk verbonden voelen.

The sound of freedom

Er waaien geen kerosinewolken meer over de startbaan. In 1994 vertrok de laatste van de Amerikaanse gevechtsvliegtuigen die hier veertig jaar lang waren gestationeerd. In die tijd heetten decibellen nog ‘the sound of freedom’ en was ’s lands eerste McDrive, om de hoek van de basis, een exotische attractie. In 2008 wiekte ook de laatste Nederlandse Chinook naar elders. Sindsdien maakt alleen een zweefvliegclub nog gebruik van een stukje asfalt. Zo is Soesterberg bijna terug bij af, in 1913, toen vliegtuigjes van hout en zeildoek hier op de ‘vliegweide’ hun debuut maakten als de ‘Luchtvaartafdeeling’ van het leger. De eerste verkeerstoren, een luchtig, pagodeachtig gebouwtje is zojuist gerestaureerd.

Toch is de oorlog nooit ver weg. Wie naar het museum wandelt via de scenic route, via het fietspad over de oude startbaan en door het bos, komt nog overal restanten tegen: stukken ijzer en beton in het gras, een waterdichte telefoon, elektrische aansluitingen: ‘Hoge spanning. Levensgevaarlijk’. En voor het authentieke Koude Oorlogsgevoel zijn er zelfs bunkers gerestaureerd.

NMM-directeur Hedwig Saam wordt er een beetje vrolijk van, zegt ze. Het doet haar denken aan wat er in het Ruhrgebied is gebeurd na de ontmanteling van de Duitse kolenindustrie in de jaren 90 van de vorige eeuw. Veel is gesloopt, maar een paar cruciale gebouwen – mijnschachten, cokesovens – zijn bewaard en opgeknapt. Het Zollverein-complex in Essen staat nu op de Unesco-lijst en werd een podium voor beeldende kunst en theater. „Ons vertrekpunt is gelijk, al zijn we verschillende musea”, zegt Saam. Alhoewel. „Ik zie niet in waarom wij hier geen schuttersstukken kunnen exposeren, het Chinese terracottaleger, of werk van Kiefer waarin de oorlog zo’n belangrijke rol speelt.”

Bij de ingang van het NMM staat een lanceerinstallatie voor gronddoelraketten. Het is geen al te nieuw model, maar ook weer niet veel ouder dan de raketten die nu bij Donetsk e.o. staan. En even denk je dat de betonnen ‘drakentanden’ bij de ingang een historische tankversperring zijn, maar nee, ze zijn gloednieuw, en bedoeld om te voorkomen dat iemand met een bomauto tot bij de voordeur komt. Zo raken de echte oorlog en de museale elkaar hier voortdurend.

Machines des doods

Dat geldt misschien nog het minst in het magnifieke Arsenaal, zoals de grootste expositiehal is gedoopt. Met legervoertuigen op de grond – „In zo’n DAF 328 heb ik mijn groot rijbewijs nog gehaald”, wijst Van Vlijmen, die zijn dienstplicht als chauffeur-gewondenvervoerder vervulde – en complete vliegtuigen aan het plafond. Een Dakota, een Mitchell-bommenwerper, een Amerikaanse F-15 en een handvol Nederlandse straaljagers die elkaar, deels ondersteboven, speels achterna lijken zitten. Het zijn allemaal machines des doods, maar hier overheerst het toys for boys-gevoel, tot en met de achteloos gestapelde munitiekisten, waarin bijvoorbeeld het gereedschap van de paardenverzorger of de tandarts-te-velde blijken te zitten (zoek de verschillen).

Er is ook de ‘zwarte doos’, een gebouw van twee verdiepingen – een museum-in-een-museum – waarin militair-historische thema’s zijn uitgewerkt [zie kader]. In een van die ruimtes staat, tussen het audiovisueel geweld en een diorama van een Afghaanse patrouille, het gedenkteken dat tot 2010 op Kamp Holland in Uruzgan stond. Met de namen van de 25 Nederlandse militairen die in Afghanistan stierven. Het is een van de weinige voorwerpen die niet achter glas staan. „Ik merk dat het niemand onberoerd laat”, zegt Van Vlijmen. „Bezoekers willen het aanraken om dichter bij die gesneuvelde soldaten te zijn. Misschien willen ze er straks bloemen leggen. Dan blijkt dat het een reliek is en nog geen museumvoorwerp. Daar krijg ik wel kippenvel van.”

Wanneer is een voorwerp, of een gebeurtenis, al rijp voor het museum? Daarvan zijn er genoeg, voorbeeldig tentoongesteld en uitgelicht; veel musea bewaren een veelvoud van wat ze tentoonstellen achter de schermen in depots; hier staan de depots wagenwijd open. Al die musketten, pistolen en harnassen zijn zo ook dubbel-onschadelijk geworden.

Maar het NMM durft ook te pronken met onaffe, onveilige geschiedenis. Met het kunstbeen van de soldaat die op een bermbom liep. Met het geruchtmakende tv-interview van Joop Hueting over zijn oorlogsmisdaden in Indonesië, dat tot de Excessennota zou leiden. Met de tijd dat het halve land tegen diezelfde krijgsmacht in opstand leek te komen wegens de kruisraketten of de dienstplicht. En met een paar nare visioenen over hoe oorlog er in de toekomst wellicht uitziet. En dat is dezer dagen ook geen verre, veilige gedachte.

‘Oorlog is de winterslaap van elke cultuur (Nietzsche)’, is ergens op een spiegelende wand in het museum te lezen. Daar blijkt hier niets van.