Van het padje

In de wandelwereld staan de ‘asfaltlopers’ lijnrecht tegenover de wandelaars die over onverharde paden gaan. John Jansen van Galen kiest partij.

Illustratie Jelle Kalkman

Over gras op de brede oevers van het riviertje de Slinge bij Vragender; over rulle, door eiken omzoomde karrensporen onder Bredevoort; via een oud kerkenpad naar een kerktoren die in de verte boven het geboomte uitsteekt, over de lanen van landgoederen rond Vorden: drie dagen wandelden we door Oost-Gelderland aan de hand van een boekje waarin routemaker Rob Wolfs, van Wolfswandelplan, achttien voettochten van 15 à 20 kilometer beschrijft.

Wandelen over ongebaande paden in de Achterhoek heet het, bij elke route staat aangegeven hoe groot het percentage onverharde ondergrond is en het omslag meldt: 75 procent zandpad-garantie! Wat is daarvan de meerwaarde?

Zelf wandel ik ook liever niet over asfalt, het verveelt gauw en dan zie ik de weg die zich voor mij uitstrekt, om met Nescio te spreken, als een „grafzerk”. Maar dat geldt niet voor iedereen. Schrijfster Yvonne Kroonenberg noemt zichzelf een uitgesproken „asfaltloper”. „Indertijd had je een reeks boekjes ‘Wandelen over gras’ en ik dacht: dat is iets voor mij! Maar op gras kom je langzamer vooruit, het houdt je tegen, en je kunt mij niet kwader krijgen. Bovendien moet je over hekjes, zodat het op gymmen gaat lijken. Of door weiden waar jonge stiertjes lopen. Op bospaden wordt het na regen glibberen in de modder, wat nog eng is ook. En daardoor zie je haast niks, want je kunt niet onbekommerd om je heen kijken. Heb je wel eens klei in je profielzolen gehad? Dat is strompelen en dan moet je het er met takjes uit peuteren. Ze zijn tegenwoordig erg voor struinen, maar mij niet gezien. Ik wil doorstappen, ook door woonwijken en bedrijfsterreinen, en weten hoe ver het nog is. Niks avontuur!”

Maar „wandelen over verharde wegen in Nederland is vaak een crime”, meent Wolfs. „Te veel auto’s, te veel lawaai, te veel schrikken van voorbijrazende monsters. Bovendien niet prettig voor je voeten. Onverharde paden garanderen meestal rust.”

Ik val hem bij: op onverharde paden loop je onbezorgder. Op een fietspad kijk ik steeds over mijn schouder of er geen (race)fietsers in aantocht zijn. Wat de ‘onverharde loper’ echter ook aanspreekt is de illusie van onvergankelijkheid: het idee dat je wandelt op wegen waarover eeuwen lang marskramers, pelgrims, huursoldaten en kerkgangers voortgingen.

De term ‘ongebaand’ is eigenlijk verkeerd. Hij betekent volgens Van Dale ‘niet gebaand, niet begaanbaar, de onbegaanbare wildernis’, maar het gaat er Wolfs alleen om dat je zonder tussenkomst van asfalt over de aarde loopt: „Ik ben misschien een romanticus in hart en nieren. Ik trek mij graag terug uit het maatschappelijk gedruis en houd het meest van landschappen die al sedert jaar en dag zo zijn.”

En er is vraag naar ongebaande wegen. Binnenkort wordt het vijftigste ‘klompenpad’ geopend en overal in het land voorzien ‘blote voetenpaden’ in een klaarblijkelijke behoefte naar ‘oer’.

Het aantal onverharde wandelpaden neemt snel toe. Kerken- en jaagpaden worden in ere hersteld, in uiterwaarden mag je vlak langs de rivier lopen en in Overijssel nam een gedeputeerde het initiatief om ook op schouwpaden, die dienen voor het onderhoud van sloten, wandelaars toe te laten. In sommige natuurgebieden (bijvoorbeeld: Amsterdamse Waterleidingduinen, Hoge Veluwe) is het toegestaan buiten de paden het terrein te voet te doorkruisen.

Je kunt het overdrijven. Als we vlakbij Groenlo voor koffie en krentenwegge op de boerderijwinkel Groot Stikken afgaan, volgen mijn tochtgenoten de verharde Zwolseweg (waar soms een auto passeert), maar ik blijf hardnekkig door het ongemaaide gras langs de parallelle schouwsloot sjouwen. Wel raak ik zo achterop, daar heeft Kroonenberg gelijk in, maar asfaltloper wil ik niet worden.