Theater maken tegen de kunsthaters

Johan Simons

Regisseur Johan Simons ontvangt maandag de Prins Bernhard Cultuurprijs vanwege zijn verdiensten voor de theaterkunst in binnen- en buitenland. ,,Ik kan mijn hele huis twee keer behangen: één keer met positieve recensies, één keer met negatieve.”

Een optreden met Der Fall der Götter tijdens de prestigieuze Salzburger Festwoche zou de internationale doorbraak moeten betekenen, waar Johan Simons lang naar had verlangd. In Nederland had De Val van de Goden in de Van Nellefabriek in Rotterdam tot lauwe reacties geleid. In Hannover was het stuk over een Duitse familie van grootindustriëlen, die lijdzaam moet toezien hoe het oprukkende naziregime de familie splijt, bij het publiek ingeslagen als een bom. Maar nu, najaar 2000, stonden Johan Simons en Paul Koek besmuikt te giechelen op Schiphol: ze hadden hun vliegtuig naar Salzburg gemist waar ze zouden bespreken of zij met hun ZT Hollandia als allereerste Nederlandse gezelschap tijdens de Festwoche zouden mogen optreden.

„Ze vonden het gemiste vliegtuig één grote grap”, vertelt Annet Lekkerkerker, destijds hun jonge zakelijk directeur.„Gelukkig konden we een paar uur later nog terecht.”

In Salzburg begon de internationale opmars van Johan Simons. ZT Hollandia won dat jaar de Europese Theaterprijs. Simons werd ook de eerste Nederlandse regisseur op het festival in Avignon, hij ging gastregies doen in de grote Duitse theaters, opera’s regisseren in Parijs en werd in 2010 intendant van de Münchner Kammerspiele.

Johan Simons (1946) wordt maandag geëerd met de Prins Bernhard Cultuurprijs. Een oeuvreprijs „vanwege zijn grote verdiensten voor de theaterkunst in binnen- en buitenland”. Volgend seizoen verlaat hij München. De laatste details moeten nog geregeld worden, maar alom wordt verwacht dat hij vanaf 2017 de artistieke leiding gaat krijgen over een fusie van de Rotterdamse Schouwburg en het Ro Theater. Zijn laatste uitdaging, hij is dan 70. Voor het eerst zou Nederland naar Duits model een theater en gezelschap in één organisatie krijgen. Via samenwerkingen met NT Gent, dat hij vanaf volgend seizoen zal leiden, de Ruhrtriënnale, waar hij intendant wordt, en het Thalia Theater in Hamburg zal hij in Rotterdam een internationaal ensemble opzetten.

Zo kan Simons de ambitie vormgeven die hij onder andere bij de installatie van de Akademie van Kunsten in april uitsprak. „Het is belangrijk om in te gaan tegen het discours van de kunsthaters, die zeggen dat kunst een linkse hobby is, dat kunst elitair is en dus te verwaarlozen”, zei hij daar. „Het is belangrijk om opnieuw te geloven in de gelaagde maatschappij. Daarin is plaats voor cultuur, die ontstaat vanuit de gemeenschap en een breed en groot publiek aanspreekt. Daarin is ook plaats voor kunst, die elitair is en gerust elitair mag zijn.”

Hij is getrouwd met de oude elite – zijn vrouw, actrice Elsie de Brauw, komt uit het adellijke geslacht De Brauw – , maar Simons memoreert ook graag zijn eigen, eenvoudige komaf: de bakkers- en boerenzoon uit Heerjansdam, een dorp van vlasboeren onder Rotterdam, waar je in zijn eigen vaak herhaalde woorden „in het slechtste geval boerenknecht werd en in het beste geval boekhouder”. Het bedrijf van zijn vader zou failliet zijn gegaan, omdat deze al zijn geld vergokt had op de paardenrennen van Duindigt. Zijn moeder had door keihard te werken het gezin overeind gehouden. Zelf werkten hij en zijn twee broers buiten schooltijd op het land om geld voor het gezin te verdienen.

Zijn twee jaar oudere broer Dirk en zijn jongere broer Henry nuanceren de verhalen die Simons afsteekt in interviews. „Johan is een theatermaker, die houdt van verhalen”, zegt broer Henry, zelf beeldend kunstenaar. „Vader moest inderdaad uit de bakkerszaak die hij met zijn broer had en hij heeft ook gegokt, maar niet met die grote bedragen. Onze vader bleef een heer”, zegt Dirk, die eigenaar is van een gokbedrijf net over de Duitse grens in Emmerich. „Maar het is waar dat onze moeder het gezin overeind heeft gehouden. Het was bedekte armoede.”

Protestants

De broers zijn opgegroeid in een harmonieus gezin, zeggen ze. „In een redelijk streng protestants milieu, zijn wij heel liberaal opgevoed door onze ouders”, zegt Dirk Simons. „De liefde voor kunst heeft Johan van onze moeder. Die nam hem mee naar voorstellingen. We wisten al vroeg dat hij in de kunst terecht zou komen.”

Zelf wilde Johan tot zijn dertiende zendeling worden, maar toen viel hij van zijn geloof. „Als 8-jarige schreef hij hele preken uit”, zegt Dirk Simons. „Hij had toen al een prachtige beeldspraak. Hij ging op platte daken staan om ze uit te spreken en hij zorgde zelf voor toeschouwers.”

In hun middelbare schooltijd zetten de broers Simons een jeugdsoos op, waar ze kunstenaars en dichters uitnodigden. Dirk Simons: „Daarna werd er gedanst en gefeest. Het zat altijd bomvol. Maar er mocht niet gedronken worden. En het moest om twaalf uur dicht zijn.”

Johan ging naar de dansacademie in Rotterdam, nadat hij thuis een voorstelling van Peter Pan had nagedanst en een vriend van de familie had opgemerkt dat hij iets met zijn talent zou moeten doen. Hij danste na zijn opleiding mee in musicals als Jesus Christ Superstar en Hair, „maar als danser was hij niet goed genoeg voor het ballet”, zegt Dirk Simons. Johan ging naar Parijs en kon een contract krijgen bij de Moulin Rouge. „Het probleem met Johan is dat hij altijd heimwee krijgt, hoe stoer hij ook is. Na een maand heeft hij opgezegd. Toen is hij de grote trap van Montmartre opgelopen en heeft geroepen: ‘Op een dag kom ik naar Parijs en dan liggen jullie aan mijn voeten’.”

Hoogovens

Hij regisseerde zijn eerste stuk pas op zijn 38ste. De bekendheid kwam pas vanaf 1985 met Hollandia, het gezelschap dat Simons in Zaandam oprichtte en samen met slagwerker en muziektheatermaker Paul Koek ging leiden. Ze maakten locatietheater: op een varkensboerderij, in een garage, in het AZ-stadion, in een tuinkas, in een blauwselfabriek en later in de vrachthallen van de KLM of een industriehal van Hoogovens. De ambitie was om muziektheater te maken voor mensen die nooit een stap in de schouwburg zouden zetten.

In plaats daarvan kwamen er vooral toeschouwers uit Amsterdam, die er rustig een uur voor in de auto gingen zitten. En theaterprogrammeurs uit de hele wereld, die wilden weten wat daar in de Zaanstreek gebeurde. Hollandia trok het rijkste, meest gestudeerde publiek van Nederland, bleek uit een onderzoek waaraan Simons in april zelf refereerde bij de installatie van de Akademie van Kunsten.

Bij Hollandia ontstond een hechte werkgemeenschap van acteurs, die later tot de groten van het toneel uitgroeiden en met wie Simons ook daarna nog bleef werken: Jeroen Willems, Betty Schuurman, Elsie de Brauw, Bert Luppes en later Fedja van Huet en als vaste gastacteur Pierre Bokma.

Het was een intensieve periode. „We voetbalden samen in de ochtend, repeteerden hard in de middag en gingen ’s avonds naar een voorstelling”, zegt Jan Zoet, tot 1998 zakelijk directeur. Bij Hollandia had Simons al de werkwijze die hij daarna overal toepaste. Iedereen mocht tijdens repetities ideeën inbrengen. Als het beste idee van de technicus kwam, dan werd dat uitgevoerd.

Voor zijn dramaturgen was het bijzonder dat Simons dyslectisch is. Tom Blokdijk: „Daardoor leest Johan drie tot vijf keer langer over een stuk. Hij doet nooit iets met een tekst als hij daar geen beeld bij krijgt. Je merkt, in de manier waarop hij in beelden denkt en ze in de ruimte zet, dat Johan als danser is opgeleid.” Gebeeldhouwd acteren, noemen de acteurs die veel met hem hebben gewerkt dat.

Hij vergde veel van zijn groep. Bettie Schuurman: „Zoals Johan Cruyff van zijn voetballers vraagt dat ze het hele speelveld overzien, zo verlangt Johan Simons van zijn acteurs dat ze het hele toneelstuk overzien en niet alleen hun eigen kleine rolletje.” Maar hij gaf ook veel terug. „Hij heeft ons leren kijken naar kunst”, zegt ze. „Dat helpt enorm bij het spelen, het maakt je associatieve wereld groter.”

Van Huet was zoekende als jong acteur, totdat hij bij Hollandia landde. „Johan is mijn toneelvader. Hij is een beeldhouwer. Hij is heel associatief. De psychologie moet je als acteur zelf maar uitzoeken.”

Vileine poëzie

Pierre Bokma, die als vaste gast opduikt bij elk gezelschap dat Simons leidt: „Zijn vileine poëzie zit hem in de bewegingsvorm die hij kiest. Johan is niet iemand die zichzelf heeft proberen te ontginnen. Het is een diep woud voor hem gebleven, een woud waarbij hij aan de rand staat en roept. Er komt iets tevoorschijn en hij gebruikt het of hij stuurt het terug. Hij is een geheim gebleven voor zichzelf.”

Aan het eind van de eeuw was Simons klaar met het locatiewerk, hij wilde de stap naar de grote zaal maken. Hollandia werd uitgenodigd om naar Arnhem te verhuizen. „Ze boden ons enorm mooie ruimtes aan”, vertelt Koek. Maar Simons koos voor Eindhoven, waar Ivo van Hove vertrok naar Toneelgroep Amsterdam.

Met acteurs en zijn dramaturgen Paul Slangen en Koen Tachelet ging Simons op zoek naar nieuwe manieren van acteren. „We maakten Gen, misschien wel de allerbelangrijkste productie”, zegt Tachelet. „ Op de TU Eindhoven zijn we met Elsie, Jeroen en Betty onderzoek gaan doen naar de nieuwe mens. Het was tegelijkertijd een zoektocht naar het nieuwe acteren. Ze zijn meer denkend gaan spelen.”

Vanuit Eindhoven werd na Salzburg de verovering van Europa ingezet. Voor Paul Koek was het niet wat hij zocht, hij besloot te vertrekken. „Ik miste het locatietheater en de intimiteit. En ik vond dat we artistiek uitgepraat waren. Johan stak niet onder stoelen of banken dat hij de grootste van Europa wilde worden.”

Na één subsidieperiode trok Simons naar Gent. Hij nam weer een deel van zijn ensemble mee. „Johan ging in Gent wonen en wist onmiddellijk waar de beste viswinkel, bakker en wijnhandel waren”, vertelt acteur Wim Opbrouck, die hem opvolgde als artistiek leider. „Hij kookte graag en hield veel vergaderingen en eerste repetities bij hem thuis.”

In Gent erfde Simons ook een schuld van zijn voorganger die in zijn eerste twee jaar nog twee ton verder opliep tot 2,3 miljoen euro. Na de opschudding daarover moest er flink bezuinigd worden. Tachelet: „We moesten vanuit armoede theater maken. Dat houd je niet eeuwig vol.”

Gastregies

Twee jaar na zijn aankomst kondigde Simons aan dat hij in 2010 naar München zou gaan, waar hij al gastregies deed. Daar had hij de beschikking over een subsidiebudget van ruim dertig miljoen euro. Weer nam hij acteurs mee. Nederlanders als Pierre Bokma, Katja Herbers, Betty Schuurman en Belgen als Kristof van Boven en Benny Claessens. Hij gaf ze ook grote rollen, of hun Duits nu perfect was of niet. Tachelet: „We kregen brieven en reacties met serieus nare opmerkingen over de acteurs die met een accent spraken. Johan gaat het gevecht aan. Als er kritiek is op het accent van Benny Claessen, geeft hij hem gewoon meer hoofdrollen.”

Wel hield Simons het Duitse ensemble zoveel mogelijk bij elkaar. Dat is zeer ongebruikelijk in Duitsland. „Regisseurs komen er heel agressief binnen”, zegt de Belgische regisseur Luk Perceval, die het Thalia Theater in Hamburg leidt. Simons won het vertrouwen van zijn Duitse acteurs, al duurde dat soms twee jaar. Perceval: „Johan is als regisseur onijdel. Hij maakt zich afhankelijk van zijn acteurs, hij heeft liefde voor ze. Duitse acteurs laten luid en duidelijk horen dat ze blij zijn met hem.”

Ook op een andere manier onderscheidt Simons zich volgens hem van de Duitse regisseurs. „Hij heeft een Hollandse lichtheid, die hem hier enorm helpt. Een Duitse regisseur durft niet te komen aan de teksten van Goethe, Schiller of Brecht. Johan heeft daar geen last van.”

Alleen maar bejubeld wordt hij ook niet in Duitsland. Net als in Nederland zijn er wisselend juichende kritieken en zeer kritische. Dat deert hem niet. „Ik kan mijn hele huis twee keer behangen: één keer met positieve recensies, één keer met negatieve”, zo zei Simons dit voorjaar. „Je moet veel kunnen maken, experimenteren, je moet jezelf kunnen ontwikkelen. Daar is een relatief bescheiden, maar stabiele basis van tijd en geld absoluut voor nodig.”